DUIZEND JAAR PRUISEN; Hartmut Boockmann en de vergeten geschiedenis van de Duitsers in Oost-Europa

Ostpreussen und Westpreussen. Deutsche Geschichte im Osten Europas, Band I door Hartmut Boockmann 497 blz., Siedler Verlag 1993, f 89,70 ISBN 3 88680 212 4

In 1945 ging een wereld ten onder, die van de Duitsers in Oost-Europa. De totale nederlaag van de nationaal-socialisten had ingrijpende gevolgen voor de Duitse gemeenschappen die zich dikwijls al eeuwen terug in deze gebieden hadden gevestigd. Een deel van de Duitse bevolking trok zich terug met de Wehrmacht richting westen. De meeste achterblijvers volgden later. Ze werden weggepest en uitgewezen.

Over de morele kant van de Duitse tragedie in oostelijk Europa kan worden getwist. De Duitsers hadden toch zelf het ongeluk over zich afgeroepen en hun lot stond in geen verhouding tot de fysieke vernietiging van een groot deel van de Europese joden. Ze waren daders, geen slachtoffers. De historische betekenis van de ondergang van de Duitse gemeenschappen in 1945 is echter onomstreden, en is wel vergelijkbaar met die van de joodse bevolking. Een periode van duizend jaar Ostsiedlung werd afgesloten. De "Duitse' vestiging en kolonisatie was onderdeel geweest van een brede, Europese cultuuroverdracht, die een vergaande en veelzijdige invloed heeft gehad op de ontwikkeling van oostelijk Europa.

Over de Duitse geschiedenis van dit deel van het continent heeft Siedler Verlag in Berlijn een ambitieuze serie publikaties gepland: Deutsche Geschichte im Osten Europas. Onlangs verscheen het eerste deel van de hand van mediaevist Hartmut Boockmann. Het gaat over Oost- en West-Pruisen (respectievelijk de regio rond Kaliningrad, het voormalige Köningsberg, in Rusland, en een deel van het huidige Polen). Het is een kritische en genuanceerde studie - uitvoerig gedocumenteerd en fraai geïllustreerd. Nog negen delen zullen volgen, ieder halfjaar één.

Het schrijven van de geschiedenis der Duitsers in Oost-Europa kan een hachelijke onderneming zijn. Ze staat immers onvermijdelijk in het perspectief van de gebeurtenissen die volgden na 1933. Het Duitse verleden in Oost-Europa is voor de één de herinnering aan vreemde verovering en onderdrukking, en voor de ander de weemoed over verloren geboortegrond en nationale cultuur. Ze zijn uiterste einden van dezelfde geschiedenis, waarvan de beschrijving onbevangenheid en distantie vraagt.

"GRANDIOOS EN TRAGISCH'

De glanzende prospektus die de uitgever ter gelegenheid van Deutsche Geschichte im Osten Europas heeft samengesteld, maakt wat dat betreft enigszins wantrouwend. ""Na de ineenstorting van de communistische regimes en de hereniging van de beide Duitse staten (...) is de oude Europese orde hersteld'', zo wordt opgemerkt. ""De Duitse geschiedenis in het oosten van Europa is echter onherroepelijk verdwenen. Bijna een halve eeuw na de definitieve ondergang van het Duitse oosten is het tijd de balans op te maken. De overlevenden en nazaten van de catastrofe nemen met het middel van de historicus afscheid van een grandioos en tragisch millennium Duitse geschiedenis.'' Dit is, voorzichtig uitgedrukt, een verantwoording die neigt naar historische eenzijdigheid en nostalgie. Is de "oude Europese orde' hersteld? Welke orde? Hoezo "catastrofe'? En was het Duitse verleden in oostelijk Europa inderdaad ""grandioos en tragisch''?

Als ik Hartmut Boockmann, auteur van het eerste deel, confronteer met deze passages, reageert hij laconiek. ""Het komt vaker voor dat de schrijver niet geheel gelukkig is met de wijze waarop de uitgever diens produkt aanprijst, hoewel het argument van de actualiteit me wel terecht lijkt,'' zegt hij. Boockmann is in het dagelijkse leven hoogleraar voor Middeleeuwse en Nieuwere Geschiedenis te Göttingen en tegenwoordig tijdelijk verbonden aan de Berlijnse Humboldt Universiteit, eens het intellectuele pronkstuk van het Oostduitse SED-bewind. Zijn kamer, met uitzicht op Unter den Linden, is net als de wetenschappelijke staf van de universiteit onlangs volledig gerenoveerd. Boockmann is een van de Westduitse geleerden die de opengevallen plaatsen hebben ingenomen.

Ostpreussen und Westpreussen behandelt bijna duizend jaar Duitse geschiedenis. Rond 1200 drongen de zogeheten Duitse Ridderorden, kruisvaarders uit de Duitse gebieden die hun werkterrein hadden verlegd van Palestina naar Europa, het gebied binnen dat werd bewoond door de Prussen, een heidens Baltisch volk. Ze koloniseerden het land, vestigden hun bestuur en kerstenden de lokale bevolking. De Prussen die de Duitse vestiging overleefden, assimileerden zich geleidelijk aan de veroveraars. Na verloop van tijd werd de naam Pruisen de aanduiding van alle bewoners van het gebied, van zowel "Duitsers' als niet-Duitsers.

Met de verdwijning van de Prussische taal in de zeventiende eeuw, hield het volk der Prussen op te bestaan. Boockmann beklemtoont dat de middeleeuwse kruistochten tegen de heidenen "afschuwelijk' waren en de wreedheden tijdens gewone oorlogen soms overtroffen, maar dat er toch geen sprake is geweest van "volkerenmoord' door de Duitse Orden, of zelfs maar van een bewuste vernietiging van de taal van de onderworpen bevolking. ""De vestiging in het oosten - en dus ook de verovering van het land der Prussen - was geen poging een volk zonder ruimte overlevingskansen ten koste van anderen te verschaffen'', schrijft hij.

MYTHOLOGISCH BEGRIP

Pruisen was een betwist gebied. In 1410 leden de Duitse Orden een catastrofale nederlaag tegen de legers van Polen en Litouwen bij Tannenberg. Hoewel van de slag zelf niet veel meer bekend is dan dat hij voor middeleeuwse begrippen zeer omvangrijk was en eindigde met de dood van een derde van alle Duitse ridders, is Tannenberg een bijna mythologisch begrip in de geschiedenis van nationale wedijver tussen Pruisen (Duitsland) en Polen geworden. Toen het Duitse leger in augustus 1914 een grote overwinning behaalde in Oostpruisisch gebied, greep de chef van de generale staf, Erich Ludendorff, onmiddellijk terug op de geschiedenis. ""De veldslag werd op mijn voorstel de slag om Tannenberg genoemd, als herinnering aan de strijd waarin de Duitse Ridderorden het onderspit delfden'', citeert Boockmann de generaal. ""Moeten de Duitsers het net als toen toelaten dat Litouwers en vooral Polen profiteren van onze onmacht en ons verkrachten? Moeten eeuwen van Duitse cultuur verlorengaan?''

De nederlaag van de Duitse Orden in 1410 zou het voorspel zijn op enkele eeuwen Poolse dominantie in het gebied. De Poolse staat bleek op den duur echter geen partij voor de grote mogendheden die haar omringden: Pruisen, Rusland en Oostenrijk. Nadat Polen was gedeeld (vanaf 1772) en de Duitse gebieden hun staatkundige eenheid verkregen (in 1871 werd het Keizerrijk geproclameerd), werden West- en Oost-Pruisen Duitse provincies. Dit duurde tot in 1918. Met het herstel van de onafhankelijke Poolse staat verloor Duitsland hier een deel van zijn grondgebied aan Polen en werd Oost-Pruisen afgesneden van de rest van de republiek.

Boockmann is zeer kritisch over de wijze waarop de grenzen tussen Duitsland en Polen werden getrokken na de Eerste Wereldoorlog. ""Tussen het principe van de nationale zelfbeschikking van de Duitsers en het Poolse verlangen toegang tot de zee te hebben, bleek geen compromis mogelijk'', merkt hij op. ""De schok in Duitsland in 1918 was enorm. In lang niet alle gebieden die aan Polen vielen, is de bevolking geraadpleegd. Plotseling leefden Duitsers als minderheid. Ik kan me levendig voorstellen dat de oostgrens hoogst omstreden was - bij vrijwel alle politieke gezindten trouwens.''

Het onderscheid tussen de traditie van Duitse kolonisatie (en Germanisering) enerzijds en de Lebensraumpolitik van de nationaal-socialisten anderzijds loopt als een rode draad door Boockmanns analyse. Hij onderstreept ook dat de expansie na 1939 (in maart werd het Memelgebied, tegenwoordig Klaipeda, herkregen) niet kan worden beschouwd als een voortzetting met andere middelen van het revisionistisch streven tijdens de Republiek van Weimar. Hoewel de NSDAP aanvankelijk beschikte over een relatief bescheiden aanhang in Oost-Pruisen, haalde ze bij de verkiezingen van maart 1933 ruim 56 procent van de stemmen, en dat was aanzienlijk meer dan het landelijk gemiddelde. In de nationaal-socialistische obsessie met levensruimte en raszuiverheid was de aansluiting bij het rijk van de Pruisische gebieden echter vooral van propagandistische en taktische betekenis, stelt Boockmann. Ze was opmaat voor de verovering van Oost-Europa, voor de onderwerping van de Polen en voor de vernietiging van de joden.

GRUWELDADEN

Slechts een klein deel van Ostpreussen und Westpreussen is gewijd aan het verloop van de Tweede Wereldoorlog. Het bevat echter de meest omstreden passages van het boek. Boockmann schenkt veel aandacht aan de gruweldaden die de Duitsers in deze jaren hebben begaan, maar reserveert de krachtigste terminologie toch voor het optreden na de Duitse nederlaag van de "vijand', de Russen. ""De Russische overwinnaars roofden, verkrachtten, moordden, en waar ze geen bestaande concentratiekampen overnamen, richtten ze nieuwe in,'' schrijft hij. Ook duikt herhaaldelijk de uitdrukking "catastrofe' op - niet ter aanduiding van het lot van de Polen, joden en Russen in bezet gebied maar om de ondergang van de Pruisen en de verdrijving van de Duitse bevolking te typeren.

""Natuurlijk was het ook een bevrijding'', licht Boockmann nu toe, ""maar voor Duitsland was het vooral een catastrofe; althans zo werden de nederlaag en de gedwongen volksverhuizing ervaren. Het land verloor een-derde van zijn grondgebied. Miljoenen mensen werden verjaagd. En bovendien heb ik ook uitdrukking willen geven aan de stemming in die tijd.''

De Duitse geschiedenis in West- en Oost-Pruisen eindigde in 1945 - althans zo leek het tot voor kort. ""Voor een mediaevist heb ik een eigenlijk verrassend actueel boek geschreven'', meent Boockmann, ""Beide delen van het voormalige Pruisen zijn volop in beweging. In West-Pruisen is altijd sprake geweest van een redelijke mate van continuïteit, ook na de Tweede Wereldoorlog. Per slot van rekening is hier een aanzienlijke Duitse minderheid gebleven. Oost-Pruisen bestaat echter niet meer. Kaliningrad heeft niets van doen met het oude Köningsberg.''

Boockmann ziet dan ook geen enkel heil in het plan om Russische Duitsers te herhuisvesten in de regio Kaliningrad. ""Het is een dwaas idee. De meeste Duitsers zijn vele generaties terug naar Rusland geëmigreerd. Ze hebben geen enkele band met de streek. Ze zijn even vreemd in Oost-Pruisen als in de Bondsrepubliek. En bovendien zal het spanningen oproepen met Polen, net als in het interbellum. Oost-Pruisen wordt nooit meer Duits gebied."'

Ondanks de aanknopingspunten met de actualiteit is Ostpreussen und Westpreussen vrij van anachronismen, en dat is geen geringe prestatie want de geschiedenis van de regio is altijd gedomineerd geweest door nationale rivaliteit en mythevorming. ""Hoe groot de verleiding ook is om moderne begrippen en concepties op de geschiedenis los laten, het verleden is geen gekostumeerd heden'', merkt Boockmann, ""Als ik schrijf dat de leden van de Duitse Orden die Pruisen veroverden en zijn oorspronkelijke inwoners onderwierpen niet als "Duitsers' kunnen worden gezien, is dat geenszins apologetisch bedoeld. Het heeft eeuwen geduurd voordat Franken, Zwaben of Saksen Duitsers werden. Wie in deze tijd naar Pruisen ging, deed dat niet omdat hij zichzelf als Duitser beschouwde, hoewel hij daar misschien wel als zodanig werd aangesproken. Overigens heeft de vestiging in het oosten wel bijgedragen aan de totstandkoming en versterking van de Duitse natie.''

BALANS

De serie Deutsche Geschichte im Osten Europas is niet de eerste maar wel de omvangrijkste en meest pretentieuze publikatie over de geschiedenis van de Duitsers in oostelijk Europa. Hoewel het projekt als gevolg van de veranderingen die zich de afgelopen jaren hebben voltrokken aan betekenis heeft gewonnen, ontkent Boockmann dat het door politieke overwegingen zou zijn geïnspireerd. ""Dat ligt niet voor de hand'', stelt hij, ""omdat de serie al in het begin van de jaren tachtig is opgezet. Op dat moment leek de Duitse geschiedenis in Oost-Europa nog voltooid verleden tijd.''

Boockmann beklemtoont dat de serie geen politieke argumenten levert maar een wetenschappelijk balans. ""De geschiedenis van de Duitsers in Oost-Europa is nooit taboe geweest, maar onze blik is wel lange tijd troebel gebleven. Enerzijds was er sprake van gebrek aan belangstelling, bepaald door een gevoel van schaamte over de misdaden die in het recente verleden zijn begaan en door tegenzin nog langer stil te staan bij de nederlaag van '45, bij een afgesloten geschiedenis. Anderzijds is er een traditie geweest van Heimatliteratur - het werk van historici die uit het gebied zelf afkomstig waren, een klein "getto" in de gemeenschap van geschiedkundigen.''