De programmamakers: Twijfel etaleren, Perspectief bieden, Visie presenteren, Voorwaarden scheppen

"Partijen uit de tijd?' was gisteren de tamelijk fatalistische vraagstelling tijdens een studiedag in Utrecht. Politieke partijen lopen leeg en de kiezer is massaal op drift. Over politiek wordt nauwelijks meer gesproken, wel over de de kloof tussen burgers en politiek. Hoe dramatisch is de situatie eigenlijk? En waar moeten de verkiezingen over gaan? Een rondgang langs de hersenkamers van de Nederlandse politiek.

Partij-ideologen werden ze wel genoemd. Dat was vroeger. Want wat is een ideoloog zonder ideologie? De directeuren van de wetenschappelijke bureaus van de politieke partijen zijn zoekende. Ze worden nu eenmaal geacht na te denken over plaats en toekomst van hun partij in het politieke krachtenveld. Politiek is uit, dat is het beeld waar zij tegen dienen te vechten. En voor wie nog wel geïnteresseerd is, zijn de onderlinge verschillen in het overvolle midden nauwelijks meer te ontwaren.

De enige zekerheid waarover de wetenschappelijke bureaus beschikken, is de onzekerheid. De grote en tevens zo overzichtelijke Oost-West-tegenstelling is weg; wat er voor in de plaats is gekomen, is vaak onvoorspelbaar en onbeheersbaar. Tegelijkertijd is in eigen land alles bespreekbaar geworden. Het taboe van gisteren is het vernieuwende idee van vandaag. Maar vooralsnog lijken de bewegingen vooral interessant voor het overgebleven partijkader.

Segmenten, marktaandelen, mediaperformance, het zijn de trefwoorden op het hedendaagse partijbureau. De kiezer is een target geworden, de politicus ondernemer. Hebben partijen eigenlijk nog behoefte aan inhoud, of is imago genoeg? Past in het bedrijfsmatige denken nog wel zoiets als een programma? En zo ja, wat moet zo'n programma dan vermelden? Is richting voldoende, of moet toch weer het definitieve antwoord op alle problemen worden gegeven?

Twijfel etaleren

De Nicolaas Witsenkade in Amsterdam. Volop parkeerruimte voor het partijbureau van de Partij van de Arbeid. Het gemeentelijke beleid tegen het lang-parkeren werkt zichtbaar. Paul Kalma (44), sinds 1989 directeur van de Wiardi Beckman Stichting, het wetenschappelijk bureau van de partij, zetelt hoog in het gebouw op een zolderkamer. Beneden bij de ingang is de vernieuwing van de PvdA sinds enige tijd uiterlijk vorm gegeven. De naargeestige toegangssluis is vervangen door een open, lichte ontvangstruimte. Het wit overheerst. De banken voor degenen die moeten anti-chambreren zijn nog wel rood, maar in verantwoord design. Weg is de zwaarmoedigheid. Er kan worden gelachen.

Hierbij vergeleken lijkt de werkruimte van Kalma te zijn geconserveerd ten behoeve van het PvdA-museum: donker, veel bruin, klein, langs de muren en op de grond stapels rapporten. ""Ze zijn net begonnen met de verbouwing'', verontschuldigt Kalma zich. Hij hoort bij de lichting vroege vernieuwers. Als medewerker van de WBS trapte Kalma regelmatig tegen traditionele PvdA-denkbeelden. Het mondde in 1988 uit in zijn boek Het socialisme op sterk water. Daarin maande hij zijn partij tot bezinning. ""De PvdA heeft weinig te winnen bij het koortsachtig verkennen van de meest uiteenlopende bestaande en toekomstige maatschappelijke problemen en bij het ongericht zoeken naar antwoorden op die problemen'', aldus de socioloog Kalma toen. Zijn mening is niet veranderd, eerder geprononceerd. Deze maand riep hij de PvdA in en artikel in het blad Socialisme en Democratie op de ""traditioneel-socialistische ideologie met z'n nivellerings(res)sentiment voorgoed terzijde te schuiven''.

Kalma is één van de zeven leden van de PvdA-commissie die het verkiezingsprogramma opstellen. ""Het moet een kort programma worden.'' Hij zegt het niet zonder ironie in zijn stem. Politiek in Nederland kan niet zonder programma's, daarvan is Kalma overtuigd. ""Bij een politiek systeem waar in de eerste plaats de partijen tellen en niet de kandidaten, ben je gehouden de kiezers op hoofdlijnen voor te houden wat je van plan bent. De mate waarin, dat is de variabele en daar gaat dan al jaren de discussie over.'' Bij de PvdA kon die discussie niet voorkomen dat het laatste verkiezingsprogramma toch weer een indrukwekkende omvang had, waarin weinig was vergeten. ""In Nederland hebben we de neiging iets pas te geloven als het is opgeschreven. En vooral partijen die meer met de schrift zijn verbonden, christelijk of anders, hebben het vastleggen van de boodschap in hun cultuur opgenomen.''

Maar Kalma heeft ook een andere verklaring voor de programmatische telefoonboeken. ""De helderheid die je niet via het kiesstelsel krijgt, krijg je zo op een andere manier. Een programma is een contract met de kiezer. Je bindt jezelf onder voorwaarden.'' Daarmee beklemtoont Kalma de interne functie van het programma. Hij bespeurt overigens een omslag. Nu zekerheden wegvallen, leidt dat ook tot een ""meer open wijze van formuleren''. Kalma: ""Het etaleren van bepaalde twijfel lijkt me zeer gezond. Dan worden de eigen partij en de kiezers overtuigd van de bescheidenheid die bij de politiek past.''

Dat de PvdA naar het midden is gekropen, juicht Kalma toe. Maar de PvdA is er tijdens die schuifoperatie onvoldoende in geslaagd een sociaal-democratisch stempel op dat midden te drukken. ""De PvdA is er hard aan toe wat meer dan tot dusverre duidelijk te maken waarin zij zich op hoofdlijnen onderscheidt van andere politieke partijen, zonder dat het midden wordt verlaten. In de coalitie is de PvdA niet leidinggevend geweest, terwijl ik in 1989 - toen onze partij in de regering kwam - dacht dat er wel een reactie zou komen op de neo-liberale golf.'' Volgens Kalma moet de PvdA alsnog een plaats innemen in het ideologisch vacuüm dat is ontstaan. Want, zo waarschuwt hij, ""een sociaal-democratische partij die op de winkel past of zich tot het realisme heeft bekeerd, is niet genoeg.''

De toekomst ligt volgens hem bij de "nieuwe gelijkheid', want het blijft de taak voor de sociaal-democratie ten strijde te trekken tegen de tweedeling die leidt tot een gesegmenteerde bevolking, opgedeeld in gesloten blokken van werklozen, ongeschoolden, geschoolden, enzovoorts. De "nieuwe gelijkheid' richt zich, aldus Kalma, op hoofdlijnen in plaats van op cijfers achter de komma en houdt afstand van het simpele ongedifferentieerde gelijkheidsideaal dat traditioneel de socialistische ideologie kenmerkte. Het belangrijkste is dat het gelijkheidsideaal geen doel op zichzelf wordt, maar in dienst komt te staan van het hogere goed van de vrijheid.

Politiek als moreel ondernemerschap spreekt hem zeer aan. ""De politiek is er ook om mensen te bewegen, dan wel het beest in de mens te beperken'', zegt Kalma. Hij is er dan ook zeer voor dat de politiek zich wat offensiever gaat opstellen tegenover de verhalen dat er zoveel matheid is. ""De malaise in de politiek is niet veel groter dan in belendende maatschappelijke sectoren. Kijk maar naar de vakbeweging of ondernemersland. Er ging wat vruchtbaars uit van het kabinet Den Uyl hoor je steeds. Nou valt dat wel mee denk ik, maar waarom gaf dat kabinet de politiek meer vuur? Omdat de maatschappij meer in beweging was. Dat is nu duidelijk anders. Verwijt de politiek niet dat het saai is, want dat is de maatschappelijke beweging ook.''

Perspectief bieden

De "kantorisering' van de Bezuidenhoutseweg in Den Haag lijkt niet te stuiten. Eén voor één ruimen de de statige panden die het bombardement van het Bezuidenhout in maart 1945 hebben doorstaan alsnog het veld. Marmer en glas bepalen het straatbeeld van de ooit zo "Haagsche' straat. In één van de overgebleven panden is het partijbureau van D66 gevestigd. Onopvallend en gemakkelijk voorbij te lopen. In de enquêtes zijn de democraten weliswaar dan weer de tweede en dan weer de derde partij van het land, met bijna veertienduizend leden is D66 als politieke vereniging een splinter. Zoiets heeft onmiddellijk repercussies voor het apparaat. Vandaar dat de partij het moet doen met een voormalig woonhuis.

Ook bij D66 is de zolder gereserveerd voor het wetenschappelijk bureau. De denktank van D66 draait al net zo als de partij zelf: op improvisatie. Vijf medewerkers telt de Stichting Wetenschappelijk Bureau, waaronder drie administratieve krachten. Directeur is sinds 1990 de filosoof Christiaan de Vries (40). Zo populair als D66 is bij de kiezer, zo klein is de belangstelling voor de inhoudelijke kant. Het "discussieplatform' van het wetenschappelijk bureau is het het op glanzend papier gedrukte en door amper duizend abonnees ontvangen blad Idee. Boodschap en D66 verdragen zich dan ook maar moeilijk met elkaar. Mensen worden steeds meer de drager van de boodschap in plaats van partijen, is al jaren de overtuiging van D66-leider Van Mierlo. De Vries zegt het hem na. ""Ik vind een programma ook niet zo erg nodig. Wat ik wel nodig vind is een analyse en een reconstructie van de sociale werkelijkheid, waardoor de partij herkenbaar is.''

Het maakt D66 moeilijk plaatsbaar. De Vries ondervond dat onlangs weer op een studiebijeenkomst over de positie van het CDA. Zijn collega's van PvdA en VVD gaven een oordeel over het CDA vanuit een sociaal-democratische en een liberale optiek, zo meldde het programma. De Vries zou het doen "vanuit een D66-optiek'. De Vries: ""Het is nog steeds het resultaat van uitsluiting. Het geven van een naam aan het beestje, betekent ook de erkenning ervan.'' Van hem mag D66 gerust van het stempel sociaal-liberaal worden voorzien. De bewering dat de partij slechts "een houding' is, pareert hij met een verwijzing naar de andere partijen. ""Het CDA herken je toch ook heel specifiek aan de morele houding? En het enige wat er nog van de PvdA over is, is toch hun etische positie? Het moeilijke van Kok is niet dat hij niet integer is, maar dat hij niets uitstraalt van de sociaal-kritische opstelling die men verwacht van een partij als de PvdA.''

De Vries vindt overigens dat D66 zich wat mag aantrekken van het verwijt dat de partij zulke onduidelijke standpunten heeft. ""Als de partij nu qua omvang een factor wordt, dan moet je laten zien wat je positie is. En dat is wat anders dan standpuntjes die zijn onderverdeeld in zoveel cijfers achter de komma, die worden ingenomen naar aanleiding van de kleine kwesties in het Kamerdebat. Het gaat toch meer om het bieden van een perspectief waardoor de kiezer kan zien welke kant het uitgaat.

""De achterstand die we nu nog hebben, biedt ons de mogelijkheid een voorsprong te bereiken. Als de partij slim is, neemt ze in theoretisch-analytisch opzicht grote stappen om uitzicht te bieden. Het debâcle van de WAO biedt bijvoorbeeld in analytisch opzicht grondstof voor de stelling dat je verder moet denken. Want als de uitvoering zoals bij de WAO wordt geblokkeerd door de organisatie, is die constatering van belang voor elk ander beleid. Of het nu gaat om paspoorten, de gezondheidszorg of de winkelsluiting.''

Er zullen volgens De Vries veel meer "micro-ontmoetingen' moeten worden georganiseerd. ""Je moet zorgen dat je contact hebt met mensen die het werk uitvoeren.'' Zijn analyse van de allesoverheersende werking van de bureaucratie ziet hij op dit moment het meest terug bij het CDA. De Vries vindt dan ook dat D66 zich tot het CDA moet wenden. ""De PvdA is helemaal geen interessante gesprekspartner, op het ogenblik. Maar D66 en het CDA kunnen op dit punt veel van elkaar leren. Ik weet wel dat op het parlementaire niveau de tegenstellingen erg hoog zijn. Maar het CDA is net als D66 veel cultureler georiënteeerd, daar moet men bij D66 niet benauwd voor zijn, dat moet je opzoeken. Dat geldt in zeker opzicht ook voor Groen Links. Wel zeg ik dat het middenveld-verhaal van het CDA een ouderwets en niet meer interessant verhaal is, omdat het middenveld beslissend veranderd is. Het is een sterk verbureaucratiseerd en in de bureaucratie opgenomen middenveld. Dat is wat ik noem het bureaucratisch mechanisme. Daarbij is er maar één verliezer, en dat is de democratie.''

Vanuit dezelfde analyse beoordeelt De Vries de vermeende kloof tussen burgers en politiek, die volgens hem geen kloof is maar een blokkade. Want tussen burger en politiek heeft de bureaucratie zich genesteld, waartoe hij ook alle semi-private organisaties zoals de vakbeweging of de ANWB rekent. De Vries: ""Er is een politiek niemandsland geschapen, waar de politicus alleen maar bovenuit kan stijgen als hij genoeg image heeft. Vandaar de rol van de persoonlijkheden.''

Visie presenteren

Ze komen nog wel eens bij elkaar over de vloer, de directeuren van de wetenschappelijke bureaus. Al was het maar om gezamenlijk een "vuist' te maken tegen de minister van binnenlandse zaken als die weer wil bezuinigen op de subsidies aan hun bureaus. Vaak troffen ze elkaar bij Jos van Gennip, directeur van het Wetenschappelijk instituut voor het CDA. Hij had nu eenmaal veruit de mooiste werkkamer. Had, want het CDA is in verband met een ingrijpende verbouwing van het eigen pand tijdelijk gehuisvest in een jaren-zestig-kantoorflat aan de rand van Den Haag. Dat Van Gennip bij terugkeer weer kan plaatsnemen in de oude rustieke werkkamer van Abraham Kuyper is uitgesloten. De kamer krijgt hoogstwaarschijnlijk een representatieve functie.

Van Gennip gaf in 1990 een "riante baan' bij Buitenlandse Zaken als plaatsvervangend directeur-generaal internationale samenwerking op, om de opvolger van Arie Oostlander te worden. De man, wiens naam als geen ander verbonden is aan het samensmelten van het katholieke begrip subsidiariteit en de in anti-revolutionaire kring gehanteerde leer van de soevereiniteit, kwam in eigen kring tot de CDA-ideologie van de verantwoordelijke samenleving. Van Gennip (54), de boerenzoon die rechten studeerde in Nijmegen, geldt nog steeds als de opvolger van de naar het Europees Parlement vertrokken Arie Oostlander. Steeds meer tijd is hij kwijt met zijn activiteiten voor de CDA-programcommissie waar hij deel van uitmaakt.

In Europa staan de Nederlandse calvinistische schriftgeleerden bekend als gedegen programmamakers. Van Gennip: ""Als je 120 kilometer naar het Zuiden gaat, word je uitgelachen als je vertelt hoeveel energie hier in het maken van de partijprogramma's wordt gestoken. In het buitenland is een programma bedoeld voor de kiezers, in Nederland voor de gekozene, die het als een soort cathechismus behandelt.'' De gedetailleerde regeerakkoorden zijn er volgens Van Gennip de oorzaak van dat de partijprogramma's zo "ongelooflijk belangrijk' zijn geworden. Synchroon daarmee is het karakter van de programma's veranderd, meent hij. ""Er is een verschuiving van "dit willen we als partij bereiken' naar "dit is de grens waarover wij niet heen willen'.''

Wie wat wil bereiken in de volgende kabinetsperiode moet zich nu melden, is de raad van Van Gennip. ""Neem nu zo'n moeilijk punt als departementale herindeling. Iedereen wist tien jaar geleden al dat je dat regelt in dat halve uur bij de kabinetsformatie. Dan haal je binnen wat in acht jaar niet is gelukt. Maar dat geldt voor veel meer terreinen. In Nederland wordt echt geregeerd in de dagen dat er op basis van verkiezingsprogramma's een regeerakkoord wordt geschreven.''

Van Gennip maakt zich zorgen. Ook het CDA kampt met ledenverlies. ""Nu het aantal mensen dat in de politiek actief is, minder is dan het aantal dat zich met criminaliteit bezighoudt, zitten we in de gevarenzone'', zegt hij. Afnemende belangstelling voor de bestaande partijen heeft het gevaar in zich dat de kans op "flapdrollen' toeneemt. Van Gennip: ""Ik doel op de regenjaspoliticus, de man die vandaag met een mooi gezicht binnenkomt en morgen weer vertrekt.'' Terwijl de politieke partij volgens hem een opdracht heeft als brenger van de morele boodschap. Of zoals hij het zegt: ""In een democratie moet de burger een coherente visie op de samenleving gepresenteerd krijgen. Dat moet een politieke partij doen. Met name een overheid die zich zo sterk concentreert op de problemen die zich van dag tot dag voordoen, heeft heel hard een politieke partij nodig om de samenleving er bij te houden en om ideeën naar voren te brengen. Als ongecontroleerde of plotselinge macht in de plaats treedt van transparante beïnvloeding, dan wordt het gevaarlijk.''

Voorwaarden scheppen

Aan de Haagse Koninginnegracht is voordeurdeling taboe. De afstand die moet bestaan tussen wetenschappelijk bureau en partij is dan ook het best gesysmboliseerd bij de aan die gracht gevestigde VVD. De Prof. mr B.M. Teldersstichting, de ""Wetenschappelijke instelling ten behoeve van de VVD en het liberalisme'', beschikt over een eigen huisnummer en een eigen voordeur met daarachter een eigen kantoorruimte. Met de buren van nummer 57, het partijbureau van de VVD, bestaat echter een goede verstandhouding.

Directeur Klaas Groenveld (44) van de Teldersstichting kan beschouwd worden als de deken van het gilde der partijdenkers. Dit jaar viert hij zijn tienjarig jubileum als directeur. De opkomst en neergang van Nijpels, de jo-jo-carrière van Joris Voorhoeve, de soms banale interne personele twisten tussen overige VVD-ers, hij heeft het als "afstandelijk betrokkene' allemaal een beetje meegemaakt. De rapporten van zijn bureau dienden als bluswater voor de uitslaande brand die de VVD teisterde. Groenveld: ""Op een gegeven moment was men in de partij van mening dat de discussie te veel ging over personen en te weinig over inhoudelijke kwesties. Mijn functie was om met anderen de partij weer aan het discussiëren te krijgen. Ik geloof dat dat ons wel is gelukt.''

De econoom-van-huis-uit zit, evenals de meesten van zijn collega's, in de commissie die zich heeft gestort op het schrijven van een nieuw verkiezingsprogramma. Als het aan hem ligt, zal het zich beperken tot prioriteiten en geen ""waslijst van schone voornemens worden''. De economische ordening van Nederland zal in de verkiezingsstrijd één van de centrale thema's zijn, voorspelt hij. ""De afgelopen jaren is het ideologisch gevecht wel door ons gewonnen, in die zin dat PvdA en CDA steeds dichter naar de VVD gekomen zijn, maar er moet nog veel gebeuren wil de Nederlandse economie een echte markteconomie worden. Het programma daarvoor is nog lang niet af.'' Onder die brede noemer zal het debat gaan over een ander sociaal zekerheidsstelsel, de positie van de sociale partners in het sociaal-economisch krachtenveld en "natuurlijk' een verdere sanering van de overheidsfinanciën.

Verschillen in de politiek ziet Groenveld nog wel degelijk. ""Je hebt nu de discussie over individualisering. Daar wordt niet hetzelfde over gedacht. Voor het CDA heeft dat een negatieve klank, voor de VVD in de regel een positieve, en bij de PvdA is men verschillende meningen toegedaan. Daar vindt een gevecht plaats tussen mensen die ideologisch sterk aanleunen tegen het socialisme en liberale sociaal-democraten. De discussie heeft ideologische wortels.'' Groenveld vindt het dan ook overdreven om te spreken over het einde der ideologieën. Het is misschien wat minder scherp dan vroeger, maar dat is goed verklaarbaar. ""In tijden van economische voorspoed, bijvoorbeeld de jaren zestig en zeventig, konden politieke partijen het zich permitteren scherp van elkaar te verschillen. In die tijd kwam de polarisatie op. Maar op het moment dat de economie terugloopt, zie je dat de partijen althans op sociaal-economisch terrein weer dichter bij elkaar komen. In de jaren zestig had je de Amerikaanse politicoloog Bell, die beweerde dat het tijdperk van de ideologie voorbij was. Maar het ideologische debat is zelden zo fel geweest als daarna. Ook in Nederland niet. Een partij als D66 beweert al sinds 1966 dat de "ismen' uit de tijd zijn. Maar je ziet dat het debat er nog steeds is. Er zit alleen wat op- en neergang in.''

Met dezelfde bijna laconieke houding beoordeelt Groenveld de verhalen als zou de Nederlandse politiek in een crisis verkeren. ""Je hoort de burger mopperen, maar hij mopperde ook in de jaren zestig. We hebben de neiging om elkaar na te praten. Politici in Den Haag hebben de neiging de problemen die ze met elkaar hebben te transponeren naar de relatie tussen burger en politiek. Ik wil problemen niet ontkennen, maar je moet je wel afvragen of het werkelijk zo ernstig is.

""Onze politiek leider Bolkestein heeft gezegd: hoe saaier de politiek, hoe gelukkiger het land. Wellicht is het niet goed als de politiek het leven van de mensen beheerst. Politiek moet voorwaarden scheppen waaronder de burger kan opereren. Maar ik vraag me af of een volstrekt gepolitiseerde samenleving wel een gelukkige samenleving is. Je kan redeneren dat als bij verkiezingen de opkomstpercentages gering blijken te zijn, de burger volstrekt geen vertrouwen meer heeft in de politiek, en zelfs de moeite niet neemt naar de stembus te gaan. Maar je kan ook zeggen, dat die burger redelijk tevreden is en daarom niet de neiging heeft nog eens heel duidelijk te maken wat zijn mening is.''