DE OORLOGSZUCHT VAN EEN CHARMANTE HEER

Dean Acheson. The Cold War Years, 1953-71 door Douglas Brinkley 429 blz., Yale University Press 1993, f 86,40 ISBN 0 300 04773 8

Sinds het communistische blok in elkaar is gestort en uiteen is gespat, beweren steeds meer mensen in het Westen dat de ondergang van de rode tegenstander is bewerkstelligd door de Koude Oorlog. Deze oorlog was een goed ding in hun ogen, omdat hij Moskou overal op de aardbol expansie onmogelijk maakte en, vooral in de extreme vorm die president Reagan eraan gaf, de Russen verplichtte zó veel voor bewapening uit te geven dat de nucleaire reus door zijn lemen voeten zakte. Deze "Koude-Oorlogsrakkers', zoals ze in voorbije tijden nog wel eens genoemd werden, poseren nu als de grote realisten die altijd geweten hebben dat ontspanningspolitiek halfzacht en gevaarlijk was, dat pacteren met Moskou geen zin had en dat alleen bewapenen en het innemen van duidelijke en harde standpunten de tegenstander mores zouden leren.

Tegen deze visie, denk ik, is heel wat in te brengen. De Koude Oorlog leverde vooral een aantal levensgevaarlijke momenten op, die de wereld aan de rand van de nucleaire ondergang brachten, hij droeg ertoe bij dat de Sovjet-Unie een op alle fronten stagnerende kazerne bleef en hij veroorzaakte dat de Verenigde Staten zich verwikkelden in kostbare of uitzichtloze avonturen, zoals in Cuba en Vietnam.

WOOLYHEADED LIBERALS

Een stapel argumenten voor een dergelijke kritische visie op de Koude Oorlog wordt, merkwaardig genoeg, geleverd door een eind vorig jaar verschenen, grotendeels met bewondering geschreven boek van de hand van de jonge Amerikaanse historicus Douglas Brinkley over Dean Acheson, president Trumans minister van buitenlandse zaken. Dit behandelt niet Achesons officiële carrière als onderminister en minister (1945-1947 en 1949-1953), toen hij aan de wieg stond van de Bretton-Woodsovereenkomst, de Wereldbank, de Trumandoctrine, het Marshallplan, de Navo en de westelijke interventie in de Koreaanse oorlog.

Het boek heeft als ondertitel "The Cold War Years, 1953-1971' en beschrijft Achesons belangrijke rol als formulator van standpunten in de buitenlandse politiek van de Democratische partij en vooral als adviseur en troubleshooter van de presidenten Kennedy, Johnson en Nixon.

Acheson was in deze rol van een verbluffende voorspelbaarheid. Zijn aanbeelden bleven door de jaren heen dezelfde: In de bipolaire wereld van na 1945 moesten de Verenigde Staten de militair en ideologisch expansieve Sovjet-communisten overal partij geven. Europa was daarbij het centrale territorium. Een verenigd op de been geholpen West-Europa moest onder leiding van Washington een Atlantische gemeenschap vormen die Moskou het hoofd kon bieden. De Derde Wereld was alleen van belang voor zover daar Sovjet-expansie moest worden tegengegaan. Navo-bondgenoten moesten worden gesteund als zij aan hun koloniën wilden vasthouden. De Verenigde Naties was een "internationaal weeshuis', waaraan men zo min mogelijk aandacht moest besteden.

Met deze visie, die ten grondslag lag aan al zijn adviezen en analyses tussen 1953 en 1971, het jaar van zijn dood, kwam Acheson geregeld in conflict met de progressievere vleugel van zijn eigen Democratische partij. In zijn ogen bestond die dan ook uit "bleeding hearts', "peacemongers', "woolyheaded liberals", "idealists' en "utopian do-gooders' en hij beschouwde het als een van zijn belangrijke taken om de invloed van dergelijke types, zoals William Fulbright, Chester Bowles, Arthur Goldberg, op Democratische presidenten tot een minimum te beperken. Dat lukte lang niet altijd en geregeld jammerde Acheson dan ook tegen zijn correspondentievrienden dat het Witte Huis slap of halfzacht was opgetreden en de president niet leek te zien waar het allemaal om ging in de wereld. Desondanks liet hij zich geregeld inschakelen voor diplomatieke missies.

HARDE ACTIE

Vooral Kennedy en Johnson beseften dat Acheson met zijn Engels accent, zijn welverzorgde snor, zijn no-nonsense humor en zijn historisch gefundeerde kijk op het wereldgebeuren groot vertrouwen genoot bij een aantal Westeuropese leiders. Voor hen was Acheson natuurlijk ook een van de architecten van de Atlantische samenwerking en de Navo, waarvan de eerste secretaris-generaal Lord Ismay de doelstelling in Achesonian taalgebruik had geformuleerd als ""to keep the Russians out, the Americans in and the Germans under'.

Juist deze rol bij het ontstaan van het westelijke bondgenootschap, waarover Acheson informatief en zeer onderhoudend, maar ook zeer zelfingenomen schreef in zijn Present at the Creation, maakte dat een groot deel van de Europese "foreign policy elite' Acheson jaren langer dan gerechtvaardigd was als een belangrijke Amerikaanse Realpolitiker met grote visie bleef zien.

Douglas Brinkley, die gebruik maakte van Achesons correspondentie en van een indrukwekkend aantal teksten die Acheson voor verschillende presidenten over uiteenlopende problemen vervaardigde, geeft een goed idee van wat de "ontzagwekkende' (aldus Kennedy) oud-minister aan Amerika's buitenlandse beleid bijdroeg in de jaren vijftig en zestig. Acheson zorgde er mede voor dat de gematigde progressieve, flexibele koers in de buitenlandse politiek van Adlai Stevenson, die in de slag om het presidentschap in 1952 en 1956 tegen Eisenhower onderging, weer werd teruggebogen naar de harde, activistische, op Europa georiënteerde, anti-communistische lijn uit de Truman-tijd. De Koude-Oorlogstaal uit president Kennedy's beginfase en zijn rampzalige benoeming van Dean Rusk tot minister van buitenlandse zaken werden direct genspireerd door Acheson.

Ook de visie in het Kennedy-kamp op de Berlijnse crisis in 1961 was aanvankelijk geënt op Achesons analyse dat het er de Russen alleen maar om ging Washington en de nieuwe president te testen en dat daarom uiterste vastberadenheid en hardheid geboden waren. Dat het voor Moskou en het regime in Oost-Berlijn er om zou kunnen gaan te voorkomen dat 30.000 geschoolde burgers per maand via West-Berlijn naar het Westen wegliepen, zoals toen gebeurde, kwam niet in hem op en de bouw van de muur verraste hem dan ook totaal (""nooit aan gedacht').

Dat de bouw van de muur eigenlijk een testimonium paupertatis voor de communisten was en een vorm van gedwongen zelfvernedering zag hij niet in en toen Kennedy de muur zonder militaire actie accepteerde vond hij de president slap. De muur bleef voor hem de eerste stap op weg naar ""een Duitse hereniging op Sovjet-voorwaarden'. Werkelijk luguber in dit verband is de beschrijving van het militaire standpunt in de discussies over Berlijn in het Witte Huis, waar Acheson steeds de stem van de harde aanpak was. De militairen bleken het ergens werpen van een atoombommetje als waarschuwing voor de Russen geen slecht idee te vinden.

WIE IS DE BAAS

In de Cubacrisis werd Achesons bijdrage aan het debat in de executieve crisiscommissie, die onder voorzitterschap van Robert Kennedy vergaderde, al evenzeer geteisterd door zijn visie dat met het ""voor geen redelijk argument toegankelijke militair expansionistische Moskou' alleen maar kon worden gepraat als men eerst liet zien wie de baas was. Hij bepleitte dan ook onmiddellijke chirurgische militaire actie tegen de Russische raketbases die de CIA op Cuba had ontdekt. (De militairen wilden meteen een grote militaire actie om het regime van Castro omver te werpen.)

Over de afloop van de Cubacrisis was Acheson officieel wel, maar in feite opnieuw niet te spreken. In zijn ogen was het compromis dat Kennedy met Chroestsjov bereikt had weer een voorbeeld van slap beleid. Moskou's waaghalzerij, volgens Acheson ingegeven door de Amerikaanse demonstratie van zwakte in Berlijn, had met harde en overduidelijke actie moeten worden beantwoord zodat Moskou zou hebben begrepen dat er met de Amerikanen nog steeds niet te spotten viel. Net als in Berlijn kon de "Koude Oorlogs-rakker' ook in Cuba niet zien wat de ratio van Chroestsjovs riskante rakettenpolitiek was: de bescherming van het ideologisch voor Moskou zo belangrijke Cuba na de door Washington gesponsorde invasie in de Varkensbaai.

Omdat Jack en Bobby Kennedy, "dilettanten' in Achesons ogen, daar wèl benul van hadden bereikten zij, ondanks een aantal levensgevaarlijke momenten, een oplossing van de crisis. (Hoe onbruikbaar de Koude Oorlogs-begripsvernauwing in kwesties als Berlijn en Cuba was had overigens de publikatie van Chroesjtsjows memoires door Strobe Talbott al eerder aangetoond.)

Natuurlijk was Acheson, na aarzelingen, vóór de doodgeboren multilaterale atoomstrijdmacht in de Navo, de MLF, en tégen het verdrag met Moskou over het verbod op kernproeven in de ruimte en onder water. En in het Vietnamdrama bepleitte hij, nadat een plan tot terugtrekking waarin George Ball hem had meegesleurd in 1965 was afgewezen, massale militaire interventie.

Eind 1967 kreeg hij over Vietnam wel twijfels. Amerika werd geteisterd door rassenrellen, in Europa had De Gaulle de Britse toetreding tot de EG geblokkeerd en Acheson, die nog niet lang daarvoor op de televisie tegen "peaceniks' en dilettanten zoals de Vietnamcritici in de Senaat (Fulbright en Wayne Morse) had geraasd, vond Vietnam nu toch een te grote belasting voor het buitenlands beleid van Amerika. Hij ging zelf op onderzoek uit, noemde de informatie die president Johnson van het leger kreeg "gewauwel' en begon te pleiten voor terugtrekking. De groep van wijze mannen, die op de voortreffelijke George Ball na tot begin 1968 het Vietnam-avontuur steeds had gesteund, ging mede door Acheson om en dwong Johnson daarmee min of meer zijn escalatiebeleid te beëindigen.

DODELIJKE HUMOR

Men kan zich afvragen waaraan Acheson, wiens denken zo verstard was geraakt, zijn reputatie als belangrijke stem in het debat over buitenlands beleid in Amerika eigenlijk te danken had. Brinkleys boek geeft ook daarop antwoord. Acheson kon briljant formuleren en samenvatten, hij had lef, zag er niet tegenop ook presidenten te vertellen dat zij er niets van begrepen, hij was buitengewoon onderhoudend en had een dodelijke humor ten koste van iedereen die hem niet beviel. Zo zei hij over Adlai Stevenson: ""Adlai has a third-rate mind that he can't make up'. Of over Eisenhower: ""The General doesn't know any more about politics than a pig knows about Sunday'.

Acheson bewonderde Truman, maar hij was niet onder de indruk van diens opvolgers. Kennedy was de zoon van Joe Kennedy, die in Achesons ogen de slechtste kanten van het Amerikaanse karakter vertegenwoordigde: hebzucht en isolationalisme. En Johnson vond hij vulgair en in buitenlandse zaken onprofessioneel. Maar Johnson wist hem desondanks goed te bespelen als hij hem nodig had. Hij manipuleerde Achesons voorspelbaarheid en ijdelheid, en een foto van de president met de opdracht "To Dean Acheson, the American I admire most' maakte de zo formidabele Dean tot was in zijn handen.

President Nixon, over wie hij eens schreef "cynical and bitter, everyman's enemy', beviel Acheson na 1968 merkwaardig goed. Voor Nixons zinloze getalm bij de terugtrekking uit Vietnam had hij begrip, alleen de uitbreiding van de oorlog naar Cambodja noemde hij onverstandig. Ook reageerden Nixon en Kissinger in zijn ogen niet krachtig genoeg op de "mad race' naar Moskou, zoals hij de Ostpolitik van Willy Brandt noemde. Maar hun uitgangspunt dat alleen macht telt en "gemoraliseer' in buitenlands beleid geen plaats heeft deelde hij geheel. Internationaal recht kon voor hem nooit de basis zijn van Amerikaans veiligheidsbeleid: "Might is the source of right'.

Mensen die betogen dat "gemoraliseer' niet thuis hoort in buitenlands beleid bedoelen vaak dat moraal er geen rol in mag spelen. Als het doel maar moreel verantwoord is doen de middelen er niet toe: als men de nazi-barbarij wil verslaan mag men best terreurbombardementen op de burgerbevolking uitvoeren; wie het communistische expansionisme wil tegengaan mag ontbladeren of napalm op mensen uitstorten zoveel hij wil. Ook in het kiezen van politieke vrienden telt het doel alleen.

In zijn laatste jaren was Acheson een treurig makend voorbeeld van die houding. Portugal was Navo-bondgenoot en streed zij aan zij met de andere westelijke landen tegen het communisme. Daarom steunde Acheson dictator Salazar en het Portugese kolonialisme van die dagen waar hij maar kon. Ook Ian Smith in Rhodesië was zijn man. Zelfs Vorster en diens apartheidsbeleid verdienden volgens hem steun: anders zou Afrika maar terugvallen in primitieve stamverbanden, hetgeen westerse belangen zou schaden. Toen Acheson stierf in 1971 stond hij juist op het punt met zijn vriend Sir Anthony Eden een reis naar zuidelijk Afrika te maken, waar hij de zegeningen van de ordelijke blanke regimes met eigen ogen wilde gaan waarnemen.

Douglas Brinkleys boek is informatief en intelligent. Het wordt ontsierd door een enkele slordigheid (Die Zeit is geen dagblad en Adenauer stierf in 1967, niet in 1963), maar lijkt over het algemeen accuraat en grondig. Wie het wil lezen als gedeeltelijke biografie van een kleurrijke, Amerikaanse aristocraat die jarenlang meer dan wie ook het establishment aan de oostkust representeerde, komt zeker aan zijn trekken. Maar dit geldt nog sterker zoals ik in het begin van dit artikel al heb geschreven voor iedereen die degenen die zich nu op de borst slaan omdat hun Koude Oorlog zo'n succes had, van repliek wil dienen.

Pagina Z1 en Z2