Cubaanse jeugd keert Fidel Castro's revolutie de rug toe; Prostitutie als overlevingskunst

De Cubaanse jeugd heeft twee gezichten. Bij de onlangs gehouden verkiezingen stemden ze massaal op de communistische partij, de enig toegestane. Veel jongeren zeggen enthousiast Fidel Castro te steunen. Maar buiten het zicht van pottekijkers verdwijnen de slogans en komt de kritiek.

HAVANA, 27 MAART. Voor een bijeenkomst van jongeren waren er opvallend veel Cubaanse ouderen aanwezig. De onvermijdelijke veiligheidsagenten in hun guayabera, het over de broek gedragen overhemd dat synoniem is met de oudere generatie. Maar ook de kandidaten voor de nationale en provinciale assemblée's die met een kleurig t-shirt over de veelal prominente buiken tenminste nog probeerden aansluiting te krijgen bij de naar schatting drieduizend communistische jongeren die aan hun voeten op het Plein van de Revolutie in Havana stonden. Jong of oud, de met overtuiging en ritmisch gescandeerde leuzen waren dezelfde: Fidel, Fidel, Che, Che.

Het was de avond voor de verkiezingen van de assemblée's (die met een opkomstpercentage van 99,62 procent en een overwinning met 88,48 procent van de geldige stemmen een weinig verrassende zege voor het regime zouden worden) organiseerde de Union de la Juventud Comunista (UJC), de communistische jeugdunie van Cuba, een demonstratieve bijeenkomst die de kandidaten een volkomen overbodig hart onder de riem moest steken. En die de boodschap dat alle kandidaten even goed waren, Valen todos, voor een laatste maal wilde onderstrepen.

Onderstreept werd ook de catechismus van de jonge Cubaanse revolutionair. “Verenigd verzetten we ons (tegen het Amerikaanse imperialisme). Leve de revolutie, leve Fidel, socialisme of de dood, het vaderland of de dood”, brulde Ramón Samá, secretaris van de afdeling Havana, in de microfoon. “We zullen overwinnen”, luidde het standaard-antwoord uit de drieduizend kelen.

De jonge communisten in Cuba weten exact welke antwoorden ze moeten geven. Zeker als een journalist uit het "imperialistische' westen ze een microfoon voorhoudt. Na afloop van de bijeenkomst zei de 21-jarige tandheelkunde-student Juan Martnez: “Onze problemen worden veroorzaakt door het imperalisme, door het Amerikaanse embargo”. Hoe zag Martnez zijn eigen toekomst tegemoet? “Met veel vertrouwen. Wij hebben hier dingen die ze elders niet hebben, zoals gratis gezondheidszorg en onderwijs”. En zijn 18-jarige collega-studente Donia Caballero? “Voor onze toekomst moeten we vechten”. Bij een groepje rechtenstudenten was het al niet veel anders. “We moeten al het mogelijke doen om onze Comandante en Jefe (Castro) te steunen”, stelde de 20-jarige Carlos Jesus González.

Maar staat de Cubaanse jeugd werkelijk eensgezind achter de revolutie en haar hoogste, bejaarde, leider, Fidel Castro? Het tegendeel lijkt het geval. In gesprekken met Cubaanse jongeren - waarbij op dringend verzoek van de betrokkenen anonimiteit en andere namen worden toegezegd - verdwijnen de slogans en komt een uiterst kritische, ongeduldige Cubaanse jeugd tevoorschijn.

“Ik werd op mijn zestiende lid van de UJC uit zuiver opportunistische overwegingen, net zoals de meeste anderen”, erkent Gonzalo, een 21-jarige student in de exacte wetenschappen en "militant' van de jeugdunie. “De UJC is de elite van de Cubaanse jeugd die meer kansen krijgt dan de anderen”. Meer kansen, dat wil zeggen: bij voorbeeld entreekaarten voor disco's als de Havana Club, doorgaans alleen toegankelijk voor met dollars betalende buitenlandse toeristen. “Als een UJC-lid iets verkeerds zegt of doet, dan heeft hij zich vergist. Niet-leden worden in zo'n geval direct als "contra-revolutionair' bestempeld”, zegt Gonzalo.

Jorge, een dertigjarige werkloze automonteur uit Havana die nu tewerk wordt gesteld op het platteland, heeft zijn jeugd eigenlijk al voorbij zien vliegen. Als achttienjarige werd hij met een artillerie-eenheid naar de oorlog in Angola gestuurd. Jorge had geluk. Hij kwam na twee jaar redelijk ongeschonden uit de strijd. Jorge toont een groot litteken op zijn linkerschouder, een bajonetwond die hij als krijgsgevangene van de UNITA heeft opgelopen.

“Ik was toen nog een kind. Ik geloofde de propaganda. Maar dáár werd ik mij bewust dat wij eigenlijk niets voorstelden met onze internationale solidariteit.” Een dagelijkse hoeveelheid anti-depressiva en pijnstillers moet voorkomen “dat ik helemaal gek word”, zegt Jorge. “De revolutie was tot zo'n zeven jaar geleden nog goed. Dat Amerikaanse embargo hebben we altijd al gehad. Maar Fidel heeft nagelaten de zaken goed te organiseren”. Voor Jorge, vader van een 4-jarig dochtertje, is, als voor velen in zijn omgeving, de grote vraag: hasta cuando, hoelang zal dit nog duren?

Desillusie, frustratie en uitzichtloosheid markeren de gevoelens van de post-revolutionaire generatie Cubanen. Willen hun ouders hen nog wel eens herinneren aan hoe erg het voor de revolutie was, de armoede, de onderdrukking ten tijde van dictator Fulgencio Batista, de Cubaanse jongeren hebben daar nauwelijks boodschap aan. Hernanda, een 56-jarige oud-diplomate en onvermoeibaar verdedigster van de revolutie, moet, gevraagd naar haar kinderen, toegeven dat haar oudste zoon niet langer in Cuba woont. “Hij wil niet in een socialistisch land leven”, zegt ze zachtjes. Haar tweede man, de 60-jarige Alberto roept verontwaardigd uit: “Voor deze revolutie ben ik bereid te sterven. En mijn kinderen denken er net zo over.”

De jeugd dreigt weg te kwijnen zonder dat er verbeteringen op korte termijn zichtbaar zijn. Er is ook nauwelijks vertier voor ze. De disco's zijn overwegend voor buitenlanders en zelfs de werkweken op het platteland - waarbij in elk geval in de avonduren nog wel eens gemengd pikante pret kon worden gemaakt - zijn drastisch verminderd wegens grote transportproblemen.

De jongeren van Havana klitten 's avonds bij elkaar op de beroemde Malecon-boulevard of staan in de rij voor wat ze zelf een MalCastro noemen, de eigentijdse benaming van een Cubaanse Big Mac die doorgaans voor negentig procent uit soya en tien procent uit vlees bestaat.

Overdag wordt diezelfde Malecon bevolkt door jonge ritselaars die jineteros worden genoemd. Twee knaapjes, veertien en zestien maar veel te klein voor hun leeftijd, proberen na vruchteloos gebedel om een "chicklet', een pen en een dollar, een buitenlander duidelijk te maken dat hun gebrek aan eten de schuld is van het Amerikaanse handelsembargo. Dat hebben ze op school geleerd, zeggen ze. Maar produceert Cuba dan zelf geen voedsel, luidt de wedervraag. Dat is nieuw voor ze. Als de schemering weer invalt, neemt een ander soort jineteros bezit van de Malecon.

Het zijn de jonge hoertjes, veelal niet ouder dan zestien, zeventien jaar, die in ruil voor een stuk zeep, een fles shampoo of paar dollar bereid zijn met buitenlanders naar bed te gaan. Vooral bij de oudere Mexicaanse mannen, die met vliegtuigladingen tegelijk naar Cuba komen, zijn de meisjes erg in trek. Het regime lijkt zich niet aan deze praktijken te storen. “Het zijn geen professionals, het is niet georganiseerde prostitutie zoals in andere landen”, zei Fidel Castro op een persconferentie. Inderdaad. Het zijn in toenemende mate scholieren, studentes, maar ook oudere vrouwen: secretaresses, artsen en advocaten. Prostitutie als overlevingskunst is gemeengoed geworden in het land van de revolutie.

Hoewel de jeugd in de propaganda van organisaties als de UJC nog overanderlijk als een soort "voorhoede' van de revolutie wordt gepresenteerd, leiden de barre omstandigheden waarin het sociaal-politieke experiment in Cuba is beland tot een grote bedreiging voor de Cubaanse jongeren. Een schrijnend gebrek aan zaken als melkpoeder en vitaminen heeft een toenemend aantal aan ondervoeding gerelateerde ziektes tot gevolg. In de overvolle stadsbussen, waarbij de mensen zich zelfs aan de buitenkant vastklampen, vinden gemiddeld twee kinderen per week de dood. Doodgedrukt of eraf gevallen en overreden. Van de naar schatting zesduizend jonge Cubanen die vorig jaar poogden de kust van Florida te bereiken, slaagde maar de helft, de anderen overleefden de barre overtocht niet.

Zegt Gonzalo, de student exacte wetenschappen: “Desondanks is dit op een algemeen niveau een betere samenleving dan de meeste. Op persoonlijk niveau is dat anders.” En zijn eigen toekomst? “Dat is één groot vraagteken”.