Collectief watertrappelen

HET BASISMATERIAAL in Nederland is de kurk van inkomensnivellering. Daarop dobbert Nederland voort als het goed gaat en klampt het zich vast in tijden van tegenslag.

Het perspectief voor het begrotingsjaar 1994 waarvoor deze week de eerste lijnen zijn uitgezet, oogt niet florissant. De economie staat stil, de werkloosheid loopt op, een nieuwe bezuinigingsronde kondigt zich aan. Met de wetmatigheid van de wisseling der seizoenen verschijnt in de lente de kaderbrief van de minister van financiën en dan begint de politieke scherpslijperij over inkomsten en uitgaven, lastendruk en inkomensbeleid die voortgaat tot aan Prinsjesdag.

In Den Haag luidt de inzet dat gekozen moet worden voor werk boven inkomen. Hoewel het hier in economische zin eigenlijk om een onjuiste tegenstelling gaat, is het gezien de lage graad van arbeidsparticipatie in Nederland een maatschappelijk uitgangspunt. Maar het komt dan aan op de verdeling van de pijn bij de uitwerking. De sociale minima staan voor volgend jaar in het rood. Aan de onderkant van de arbeidsmarkt moet de prikkel tot werken vergroot worden via lastenverlichting. De ministers Kok en De Vries zoeken naar mogelijkheden om het geld daarvoor elders weg te halen. Ze hebben geopperd om de hogere inkomens aan te slaan door de belastingvrije som die van het hoogste inkomenstarief wordt afgetrokken, te vervangen door een heffingskorting, die voor iedereen gelijk wordt verrekend tegen de laagste tariefschijf.

Zoiets klinkt heel redelijk, maar het begrip hogere inkomens krijgt hiermee wel een zeer Hollandse invulling. Als dit voorstel doorgaat, legt de Nederlandse politiek de lat voor "hogere inkomens' bij een belastbaar bruto inkomen van 42.966 gulden per jaar, de grens waarbij (in 1992) het tarief van 50 procent van kracht wordt. Dat is tamelijk modaal.

DIT WEEKEINDE leggen veel Nederlanders de laatste hand aan de invulling van het belastingformulier waarmee ze hun financiële ziel en zaligheid prijsgeven aan de fiscus. Ze zullen opnieuw vaststellen dat ze bij een belastingtarief van 50 respectievelijk 60 procent in 1992 tot 1 juli respectievelijk eind juli hebben verdiend voor de collectieve sector en pas daarna voor zichzelf zijn begonnen. Deze omvangrijke herverdelingsoperatie van het inkomen over de samenleving is de verklaring voor de gestage terugval van Nederland wat betreft inkomen per hoofd van de bevolking in de EG. In 1970 stonden Nederlanders nog bovenaan, inmiddels zijn ze tot de achterhoede van de EG weggezakt. Het is een collectieve vorm van watertrappelen, waarbij veel beweging wordt gemaakt, maar geen vooruitgang.

DR. JELLE ZIJLSTRA heeft in het verleden al eens betoogd dat gestreefd moet worden naar de drie keer 50-norm. Daarmee bedoelde hij een omvang van de staatsschuld die 50 procent van de nationale economie bedraagt, een collectieve lastendruk van maximaal 50 procent en een hoogste tarief in de inkomstenbelasting van 50 procent. Dit voorstel is zojuist overgenomen in een rapport van een CDA-commissie onder Zijlstra's leiding, dat dient als advies voor het programma van de christen-democraten voor de komende kabinetsperiode. Met de blauwe envelop van de fiscus klaar voor verzending naar de belastingdienst, krijgt dit pleidooi voor verlegging van de grenzen tussen het collectieve en private domein voor de burger weer actualiteitswaarde.