"Brussel is net Palermo, maar dan zonder lijken'

BRUSSEL, 27 MAART. “Een onschuldige hand zal de winnaar aanwijzen”, zo was onlangs in een advertentie over een loterij in een Vlaamse krant te lezen. Bemachtigen Vlaamse journalisten een geheime nota, dan leggen zij hun lezers steevast uit dat “een gunstige wind op onze burelen deed neerdwarrelen...” Vlamingen spreken soms een verrassend poëtisch Nederlands. Anderzijds vallen er ook de gruwelijkste gallicismen te noteren. “Vraag de tweede voet” (Demandez le deuxième pied) is geen ongebruikelijke aanduiding in schoenenwinkels waar men halve paren uitstalt.

Theaterdirecteur Franz Marijnen van de Koninklijke Vlaamse Schouwburg in Brussel meent dat Vlamingen in het algemeen minder taalvaardig zijn. “Ik geneer me als ik op de BRT-tv de straatinterviews hoor. Men aarzelt en stottert...” In Nederland spreekt men vlotter, soms zó vlot dat het uit een schuimspuit lijkt te komen. Nederlands, toegepast als alabastine en louter bedoeld om de tijd te vullen, kan in politiek Den Haag worden beluisterd, meent hij. Tegelijk bestaat er in Nederland, vergeleken met Vlaanderen, een betere luistertraditie. “Nederlanders hebben door hun calvinistische traditie meer geduld. In Nederlandse kerken is niks te zien, alleen wat te horen. Geen halfblote madonna's of met pijlen doorboorde kruisfiguren. Het woord van de kansel, daar ging het om. Nederlands toneel was jarenlang het uitvechten op het voortoneel van de schuldvraag, met een zo simpel mogelijk decor. Vlaamse voorstellingen hebben een zekere abondance. Het sappige genieten. Dat echte luisteren is hier niet zo.” Het resultaat is dat Vlaamse acteurs op het toneel een afgemeten "kunsttaal' moeten gebruiken - het Algemeen Beschaafd Nederlands. “In de coulissen is het dan meteen "allez Joske...'. Daarom laat ik het liefst in dialect spelen”. Het leven is dan dichterbij.

Marijnen wordt beschouwd als Vlaanderens meest internationale theatermaker. Hij kreeg een toneelopleiding in Polen, boekte succes met een eigen gezelschap in de VS en richtte in Rotterdam het RO-theater op. In 1983 begon hij aan een freelance carrière die hem door heel Europa voerde. Hij heeft de reputatie van een bulldozer en een rebel. Dit jaar werd hij verrassend gevraagd om de Vlaamse schouwburg in Brussel te reanimeren. Deze week kreeg zijn eerste produktie (Fernando Krapp heeft mij deze brief geschreven, van Tankred Dorst) al lovende kritieken.

Marijnen woont op Cyprus en sinds kort dus ook in Brussel. Hij ziet er gekweld uit. “Het is rampzalig veel meer werk dan ik me had voorgesteld.” Na jarenlang zwerven is hij terug in het "rot-gepolitiseerde' België. Nederland lijkt verder weg dan ooit. “Ik heb lijken in de kelder, een berg verworven rechten bij het personeel, een schuld van het vorige seizoen, een gebouw op instorten en totaal gebrek aan geld.” Vlaanderen geeft volgens hem minder uit aan cultuur dan de stad Keulen aan opera en theater. “Je moet hier met aalmoezen werken.” Subsidies moet hij zien los te krijgen van de stad Brussel, het Hoofdstedelijk Gewest Brussel en de Vlaamse Gemeenschap. “Iedereen kent hier elkaar, hè. Je komt dan als buitenstaander met je voeten in andermans tuin staan - er is weer een kandidaat-subsidievreter bij. Dat wordt niet gewaardeerd.”

Het zeer slecht onderhouden gebouw van de Vlaamse Schouwburg is eigendom van de stad Brussel. De Franstalige meerderheid in de stad weigert het gebouw over te doen aan Vlaanderen. Rancuneuze pesterij, meent Marijnen. Niet dat Vlaanderen op overdracht zit te wachten. “Die hebben geen geld.” De aanvraag om het gebouw, een oud artillerie-magazijn, tot monument te verklaren is volgens hem opzettelijk zoek gemaakt. Het beheer van de schouwburg stelde hem voor onaangename verrassingen. “Er waren hier uitgaven die niet of nauwelijks begroot waren - voor promotie, voor dramaturgie, voor perscontacten. Op sommige posten zit ik met gepromoveerde secretaressen die na zoveel jaar meer moesten verdienen. Daar werd dan een functie bijgezocht.”

Marijnen is daarnaast door de stad opgescheept met een politiek samengesteld bestuur. Twaalf man waarvan er volgens hem niet meer dan drie in theater zijn geïnteresseerd. “De rest verzamelt zitpenningen. Die kijken om negen uur op hun horloge want dan moeten ze naar de volgende vergadering - ook vanwege de centen.” Nederland en België verschillen op dit punt van elkaar als dag en nacht. Met grote weemoed denkt hij terug aan Rotterdam. “Daar was discours. Er zat een wethouder met kennis en ideeën, een bestuur met inzicht en betrokkenheid. Er was politieke wil om er iets van te maken, er werd nagedacht. Buitengewoon spannende tijd. Als je dat allemaal omdraait heb je Brussel.”

Marijnen noemt Brussel "net Palermo, alleen hebben we hier geen lijken op straat. Het gaat hier niet om wat je kunt, maar om wie je kent.” Zijn belangrijkste taak noemt hij het “bezweren van de blunders” die zijn bestuur maakt. Hij is nu doende om een advocaat duidelijk te maken dat er echt geen 35 miljoen frank beschikbaar is voor louter afvloeiingsregelingen, zoals een KVS-bestuurder had toegezegd. Marijnen ontsloeg bij zijn aantreden namelijk zeven acteurs. Die 35 miljoen omvatten het budget voor een seizoen toneelvoorstellingen maken, aanvullend personeel en publiciteit. “Maar als dat door een bestuurslid is gezegd, kan ik het dus wel schudden bij zo'n advocaat”, zucht hij.

In zes, zeven jaar wil hij van zijn schouwburg een podium voor grote, ook buitenlandse toneelvoorstellingen maken. “Dat bestaat hier niet op dit moment. Alles staat te verkommeren. Er is alleen de Munt, maar dat is muziek, dat is niet subversief of radicaal. Daar kan de koning ook zonder bezwaar gasten ontvangen.”