BÄR

Volgens H.A. van Wijnen weten wij “van Bärs gedachtenleven lang niet zoveel als van de Engelse kerkhervormer Thomas Cranmer” (NRC Handelsblad, 20 maart). Bär had zeker niet het gedachtenleven van Cranmer, dat hij heil zou zien in afscheiding, terwijl hij voor het overige dat van de Engelse kerkhervormer voor zover reformatorisch te noemen, deelde.

Wat moeten wij ons voorstellen bij Van Wijnens contaminatie, dat Bär heeft gebogen voor adderengebroed om vervolgens te zeggen, dat voor een protestant het enige alternatief voor zich onderwerpen aan het leergezag uittreden is? Van een dergelijk alternatief is geen sprake, ook niet in het interview in Vrij Nederland. Hij sprak hier niet over al dan niet verbieden, maar over de wijze van verbieden. Hieruit blijkt, dat Bär met het leergezag als zodanig geen conflict wilde en zich dus ook niet kan hebben onderworpen. Wel krijgen wij het beeld van een alternatief tussen klakkeloze conformering en een pleidooi voor een genuanceerde humane vertaling van leer naar praktijk, maar zo openlijk helaas pas, toen het al voor hem misging.

Zelfs Luther en Calvijn beantwoorden niet aan Van Wijnens beeld van "niet onderwerpen, dus uittreden'. Het is katholieke traditie de eenheid als een groot goed te zoeken en protestantse traditie de laatste slechts te breken vanuit een non possumus. De recente geschiedenis van de katholieke kerk in Nederland te beginnen bij Bekkers' bekende televisierede toont aan, dat men hier dit "non possumus' kennelijk niet aanwezig achtte. Men leeft momenteel in een gedurig gespannen verhouding met bisschoppen die men niet zelf heeft uitgezocht. De waarden die men hoog wil houden zijn kennelijk èn eenheid, dat wil zeggen niet breken (en oecumene) èn een geloofwaardige evangelieprediking. De verdienste van Bär is, dat hij, uitgaande van dezelfde intenties, op een verstandige wijze aan beide partijen het begin van een uitweg uit de impasse heeft gewezen.