"Als ik het niet meer zie zitten, haalt mijn broer me er wel doorheen'

Een turner in Nederland is als een neger op Nova Zembla. Toch liet hij bij een internationaal toernooi in Duitsland vorig weekeinde alle toppers op de rekstok achter zich. Inclusief olympisch kampioen Sjerbo en wereldkampioen Misioetin. De 18-jarige junior ALEXANDER SELK uit Deventer. Talent tegen de verdrukking in.

Hij turnt al veertien jaar, ruim driekwart van zijn jonge leven. Maakt al acht jaar deel uit van nationale selecties. Nooit heeft deze krant ook maar een enkele regel aan hem gewijd.

Gebrek aan belangstelling is niet de enige handicap waarmee een Nederlandse turner heeft te kampen als hij wat bereiken wil. Je hebt ook nog de verenigingen die pal staan voor de belangen van de recreanten. En trainers die niet inzien dat krachttraining de basis van het turnen is. En die verloederde Koninklijke Nederlandse Gymnastiekbond die je onvermoeibaar tegen werkt.

“Als we ergens anders waren geboren, dan waren we misschien al de besten van de wereld geweest.” Christiaan Selk, tweevoudig Nederlands kampioen, de drieëneenhalf jaar oudere broer van Alexander, zegt het met een mengeling van bitterheid en spijt. “We waren in elk geval verder gekomen.” Naast hem op de bank in hun gezamenlijke éénkamer-appartement in Arnhem zit zijn jongere broertje op teletekst te kijken naar de sportberichten. Alexander knikt met een ernstige blik.

Je kunt onmogelijk over Alexander schrijven zonder Christiaan te noemen. Daarvoor zijn hun levens en hun sportcarrières te verweven. “Ze zijn onafscheidelijk”, zegt hun moeder. Bondgenoten. Beste vrienden. Ze delen stapelbed en kleren. Ze zijn de enige twee Nederlandse senioren-turners. Ze zijn elkaars toeverlaat en coach.

Christiaan is de doener, de vechter. “De motor” van het duo, zegt hun moeder. Hij is ook de spreekbuis van het tweetal. Als Alexander zijn mond open doet om het woord te nemen, heeft Christiaan zijn verklaring al afgelegd.

Alexander is de dromer, de tobber, de introverte. Vlasblond haar boven holle wangen die door een lichte blos worden gekleurd. Hij is “het type dat gigantisch nadenkt over van alles en dat ook moeilijk van zich af kan zetten”, zegt hijzelf. Zodat het “van binnen soms vreselijk tekeer gaat”. Vandaar dat hij bij wedstrijden vaak gekweld wordt door migraine. Vandaar dat hij bij spanning vaak moet overgeven. Alleen in het weekend komt hij even tot zichzelf. Vissend. Scheurend op hun opgevoerde brommertje.

Alexander was vier toen hij voor het eerst terecht kwam bij een turnclub. “Ik ben achter mijn broer aan gehuppeld.” En dat Christiaan aan gymnastiek ging doen was ook maar een speling van het lot, want hij was begonnen bij een voetbalclub. Als keeper. Maar hij hing maar aan die lat te zwaaien en zijn medespelers werden nijdig omdat hij zo weinig oog voor de bal had. Of hij niet beter lid kon worden van een gymnastiekvereniging?

Turnen is voor hen nooit een vrijblijvende vrije tijdsbesteding geweest. “Van jongsaf aan hebben we onze sport serieus genomen.” Christiaan zegt het bijna verbaasd. “Die drang om geen half werk te leveren zat er altijd al in. Andere kinderen zeggen: "ik doe een beetje school, ik ga een beetje uit, ik doe een beetje aan sport'. Wij kunnen dat niet. Als je gaat turnen, dan doe je dat goed.”

Zo'n houding stuit in Nederland op weerstand. Want als meer wilt trainen dan anderen, dan verstoor je de orde. Dan doe je een extra beroep op voorzieningen. En iedereen heeft toch evenveel rechten? Waarom zou je iemand met talent bevoordelen? Daar worden de verschillen alleen maar groter van en dat staat haaks op het gelijkheids-ideaal.

Begrip hebben de broertjes wel voor “die typisch Nederlandse redenering”. Maar zich daarbij neerleggen konden ze niet. Willen ze niet. “Anders kom je nooit verder.”

Daarom wisselden ze al die jaren van vereniging als van kleren. In naam van de vooruitgang. Steeds trokken ze naar de clubs met de beste faciliteiten, met de beste trainers. Van hun woonplaats Deventer naar Zutphen, naar IJsselmuiden, naar Zoetermeer, naar Ochten, naar Ridderkerk.

Al die tijd fungeerde hun moeder als chauffeur, maatschappelijk begeleidster, secretaresse, manusje-van-alles. Een baan van veertig uur per week. Al toen Alexander in de eerste klas van de lagere school zat, begon het reizen. Vijftigduizend kilometer per jaar. Huiswerk en warme maaltijden in de auto. Om half tien 's avonds waren ze weer thuis.

Als haar moeder vroeger voor haar had gedaan, wat zij nu voor haar zonen doet, had zij “het ook ver kunnen brengen”, zegt moeder Selk bedachtzaam. Klassiek ballet heeft ze gedaan, zestien jaren. Een uitnodiging van Scapino had ze al op zak. Maar moeder was weduwe. Vijf kinderen, een fotozaak. En dan woonden ze ook nog in Deventer. “Het gebeurt niet, je gaat niet”, had haar moeder gezegd.

Niet dat ze haar eigen jeugddroom door haar zonen verwezenlijkt wil zien, haast moeder Selk zich te verklaren. Daarvoor offert de familie niet alle tijd en geld. Maar ze is “gewoon sportgek”. En ze vindt dat haar kinderen in hun sportieve carrière optimaal gesteund moeten worden. “In Nederland zorgt daar verder niemand voor.”

Sinds zes jaar trainen ze nu op Papendal. Dat betekende vijf jaar heen en weer reizen tussen Deventer en Arnhem. Sinds Christiaan dit jaar in Utrecht aan een opleiding fysiotherapie is begonnen, delen de broertjes een kamer, niet ver van Papendal. Niet ver ook van het Katholiek Gelders Lyceum, waar Alexander in de vierde klas van de havo zit.

Hun leven bestaat uit sporten en studeren. Dertig uur per week trainen voor Alexander. En ruim veertig uur school. Om tien over half zeven staat hij 's morgens op en om half acht 's avonds komt hij weer thuis. Dan warmt hij een van de maaltijden op die hun moeder thuis bereid heeft. Daarna moet hij nog aan zijn huiswerk beginnen.

Waarom ze al veertien jaar toch al die moeite doen? De meeste van hun landgenoten snappen daar niks van. Nederlanders begrijpen toch niks van topsport, en al helemaal niet van turnen, “de moeilijkste van alle sporten”. In plaats van dat ze worden geëerd en geprezen, zoals hen in het buitenland gebeurt, moeten ze zich in Nederland voortdurend rechtvaardigen. Verdedigen. “Want in Nederland mag je niet hard werken en niet te veel zweten”, weet Christiaan. “En sport mag niet te veel tijd en geld kosten en zeker niet ten koste gaan van school.”

Steun vinden ze alleen bij elkaar en bij hun ouders. Bastion tegen een vijandige buitenwereld. Zonder elkaar waren ze misschien al lang gestopt. “Als ik het even niet meer zie zitten, als ik niet zoveel zin heb, of een blessure, haalt hij me er wel doorheen”, zegt Alexander over zijn oudere broer. “Hij geeft me vertrouwen bij een wedstrijd.”

Als concurrenten hebben ze elkaar nooit gezien, zegt Christiaan. In Nederland zijn ze de nummers één en twee. En wie de eerste plaats pakt, maakt dan weinig uit. “Het blijft in de familie.” Nu staan ze nog ongeveer op hetzelfde niveau, meent Christiaan. “Maar ik denk dat Alexander beter is dan ik, want hij is drieëneenhalf jaar jonger. Daar heb ik geen moeite mee. Integendeel, ik vind dat ik daaraan bijgedragen heb.”

Hij was het die Alexander twee jaar geleden “een schop onder zijn kont gaf” toen die met turnen wilde stoppen. Dat was in de periode dat zijn broertje werd getroffen door de puberteit. Zijn lijf groeide sneller dan zijn kracht, wat ten koste ging van zijn prestaties en ook nog leidde tot blessures. Onvoldoende voorbereid moest hij aan de Europese juniorenkampioenschappen meedoen en natuurlijk ging daar alles mis.

Ook vorig jaar was weer zwaar voor de gebroeders Selk. Dat hadden ze vooral te danken aan hun eigen gymnastiekbond, die hen “liever kwijt dan rijk is”. “Want de gymnastiekbond houdt niet van topsport, alleen van zichzelf.” Eerst mochten ze voorafgaand aan de wereldkampioenschappen niet aan wedstrijden meedoen. Daarna werden ze bij het mondiale toernooi in Parijs “schandalig slecht begeleid”. Hun moeder “ontplofte” bijna toen ze hoorde dat ze moesten slapen in de turnhal en al twee dagen geen warm eten hadden gehad.

Rampzaliger nog was dat de Koninklijke Nederlandse Gymnastiekbond op een vergadering in juni besloot het turninternaat van Papendal maar op te heffen. Christiaan wordt nog nijdig als hij spreekt over “die oude zakken die nooit naar een training kwamen kijken, maar wel even een einde aan onze carrière zouden maken”. “Waar turn ik voor. Wat is dit voor land”, vroeg hij zich af.

Ze waren al bijna naar Duitsland vertrokken. Ze hadden al geregeld dat ze in Hannover konden trainen. “We wilden verder”, zegt Alexander. “We konden veertien jaar training toch niet zomaar opgeven. Ook al had ik zo'n verhuizing moeilijk gevonden. Ik ben gehecht aan mijn ouders en mijn land en mijn stad.” Maar te elfder ure kregen ze steun van het Nederlands Olympisch Comité. Het NOC zorgde ervoor dat ze op Papendal konden blijven trainen en dat bondscoach Jesus Hernandez hen tenminste parttime begeleidt.

Alexanders overwinning aan de rekstok vorig weekend in het Duitse Cottbus is voor de broers het bewijs dat ze op de goede weg zijn. Ook een teken dat ze de strijd niet voor niets zijn aangegaan. Want die zege was geen toeval, geen gelukstreffer, zeggen Christiaan en Alexander. “Die zege was terecht.”

De Russen teren nog altijd op naam en basistechniek, meent Alexander. Maar daarmee redden ze het niet meer sinds dit jaar “de nieuwe code” is ingevoerd. Dat wil zeggen dat alle risicovolle elementen van een oefening een vaste waardering hebben gekregen. De jurering is daarmee geobjectiveerd en dat werkt in het voordeel van de minder bekende, talentvolle turners. “Door deze aanpassing schuiven we dichter naar de wereldtop.”

Ze zagen het al bij het inturnen in Cottbus. De Russische favorieten beheersten de vliegelementen nog onvoldoende. Eén voor éen vielen ze van de rekstok. En dat gebeurde ook in de wedstrijd. Terwijl Alexander “stabiel kon blijven doorturnen ook al had hij de moeilijkste oefening had een uitgangswaarde van 9,7”. De komende jaren wil hij zijn rekoefening nog verder uitbouwen om zelfs aanspraak op een tien te kunnen maken. “Dan kunnen ze helemaal niet meer om me heen.”

Doel van de broers is om over drie jaar samen mee te doen aan de Olympische Spelen in Atlanta. Daarvoor dienen ze zich te plaatsen bij de 36 beste turners van de wereld. Of ze moeten zich kwalificeren voor een toestelfinale bij EK of WK. Bijvoorbeeld op de rekstok, hun beider beste onderdeel. “Moeilijk”, zeggen Christiaan en Alexander. “Maar haalbaar. We blijven knokken. We hebben nog nooit iets cadeau gehad.”