Zonder parool; Het filosofische tijdschrift Krisis

Het tijdschrift Krisis schurkt ongemakkelijk tegen de academische cultuur aan. Het is na dertien jaar en vijftig nummers nog steeds een opmerkelijk levendig blad, waarin gevoel voor actualiteit de filosofie voor verstoffing behoedt.

Krisis nr. 50 is te bestellen door storting van ƒ 19,50 + ƒ 5.- op gironummer 4452859. Jaarabonnement (4 nummers): ƒ 48.- (De Balie, Kleine Gartmanplantsoen 10, 1017 RR Amsterdam).

Van Michel de Montaigne is bekend dat hij zich na een actief politiek leven terugtrok in een toren om zich te wijden aan lezen, denken en schrijven. Het is een emblematisch beeld van de filosoof: een wereldvreemde peinzer, levend in zijn eigen universum en zijn eigen hersenspinsels. Toch vergat hij wat wel "het ware leven' heet nooit helemaal, en verliet hij zijn toren soms voor zaken, een missie, of voor galant bezoek. Zijn snor liet hij na zo'n avontuur dagenlang ongewassen, om de vrouwelijke geur die daarin was blijven hangen nog langdurig te savoureren.

Dat maakt Montaigne meteen een stuk minder archetypisch, net als trouwens zijn stijl en het door hem uitgevonden genre - het essay - dat zijn. Hij is een randfiguur, en wordt in de wijsgerige geschiedenissen met enige verlegenheid genoemd. Van belang was hij zeker, maar waar dat precies aan ligt en wat men er verder mee moet aanvangen, weten de geleerde schrijvers niet zo goed.

Desondanks werd Montaigne al snel beroemd, en bleef hij dat ook - in tegenstelling tot zoveel andere marginale denkers. Wie kent nu nog Adolph Friedrich Hoffmann (de "Duitse Hume'), Edward Blyden (zo'n eeuw geleden de belangrijkste zwarte intellectueel in het Europees cultuurgebied) of Giammaria Ortes (een achttiende-eeuwse Italiaanse monnik, die als proto-econoom maar niet kon begrijpen hoe nijvere landen als Engeland en Holland rijk genoemd konden worden: rijken werken nu eenmaal niet)? Zij allen worden - met nog zestien andere verborgen denkers en parafilosofen - besproken in het vijftigste nummer van het wijsgerige tijdschrift Krisis, dat vandaag onder het motto "De snor van Montaigne' wordt gepresenteerd.

De marge heeft het tijdschrift ook zelf altijd gezocht, schrijft de redactie: het niemandsland tussen de vakwetenschappen, de filosofie en de maatschappelijke debatten. De redacteuren van het eerste uur waren filosofiestudenten aan de Universiteit van Amsterdam. In 1980 lag menigeen nog langer wakker van zijn maatschappelijk engagement, dan van zijn academische carrière. Wanneer in mei van dat jaar het eerste grof-geoffsette nummer van Krisis verschijnt, omschrijft de redactie het blad martiaal als een "strijdtoneel' waarop de beschaafde sfeer van de "academische debating-club' op de tocht wordt gezet. "Partij kiezen' is een sleutelwoord, de term "progressiviteit' zet de toon, en al ontstaan over de inhoud daarvan lange discussies, een ankerpunt is in ieder geval de "politieke en theoretiese traditie van de studentenbeweging'. Maar die beweging loopt op haar laatste benen en het meer orthodoxe marxisme verkeert zoals de naam van het tijdschrift programmatisch aangeeft, in een crisis. In het eerste nummer wordt verwachtingsvol nog Louis Althusser binnengehaald, maar zijn vernieuwde, "wetenschappelijk' marxisme houdt in de kolommen minder lang stand dan de belangstelling voor de wetenschapsfilosofie, die op dat moment ook onder linkse studenten nog volle collegezalen trekt. Niet Althusser, maar wel andere Franse meesterdenkers zullen in de daaropvolgende jaren een belangrijk stempel op Krisis drukken. Het aan hen gewijde themanummer geldt binnen de redactie nog altijd als een mythisch succes uit de oertijd, dat zelfs kon worden herdrukt.

Een "studententijdschrift' is Krisis al lang niet meer, al treft men in de redactie nog altijd geen hoogleraren aan. Het zijn eerder de assistenten-in-opleiding en jongere gedoctoreerden die het blad dragen en er in publiceren. Met opzet houdt de redactie enige afstand van de academische gedragsregels en themakeuze. Voor de laatste finesses van het onderzoek naar de geheiligde monsters zijn er al het Algemeen Nederlands Tijdschrift voor Wijsbegeerte en het Tijdschrift voor Filosofie, voor de erudiete essayistiek sinds kort Nexus en Tmesis, voor de meer bezadigde filosofisch geïnteresseerden Wijsgerig Perspectief.

Wat bleef is de betrokkenheid op maatschappelijke discussies, al spelen die zich inmiddels minder af op het vlak van de "aktie' en meer op dat van de theorie. Dat resulteerde in themanummers over foute intellectuelen, de hernieuwde roep om een ethiek, de Rushdie-affaire en de literaire verbeelding, en de herontdekte betekenis van Hannah Ahrendt. Overigens niet altijd in even vloeiend proza. De universitaire opleidingen mogen dan meer aandacht aan schrijfvaardigheid besteden, verzucht een redactrice, veel verder dan het academische bargoens strekt dat nog niet. Zelfs moeizaam herschrijven haalt alleen de ergste uitwassen weg.

Het is niet het enige punt waarop het blad soms ongemakkelijk tegen de academische cultuur aanschurkt. Het klimaat van publish or perish is niet gunstig voor een tijdschrift dat zich te weinig aan de universitaire normen houdt om te gelden voor "de lijst'. En waar doctoraalstudenten dertien jaar geleden tijd genoeg hadden om een tijdschrift op te richten, zijn hun huidige tegenhangers, de aio's, met handen en voeten gebonden aan hun proefschrift-onderzoek, dat gewoonlijk niet tot het meest avontuurlijke behoort. Zelfs de scriptierubriek waarin afstuderende studenten hun scriptie kort samenvatten moest onlangs worden geschrapt: studenten - klaagt de redactie - lijken nauwelijks meer trots te kunnen zijn op een werkstuk dat ze te snel en met te weinig overtuiging in elkaar hebben moeten zetten.

Ondanks al die problemen is Krisis een opmerkelijk levendig blad gebleven, waarin nieuwe auteurs of invalshoeken sneller gesignaleerd worden dan elders en gevoel voor actualiteit de filosofie voor verstoffing behoedt. Die deugd betaalt het met een enigszins trendy imago, al wil de redactie zich zo nodig ook wel tegen de mode verzetten. Komend najaar verschijnt een themanummer over "de vreemdeling', geschreven tegen de postmoderne retoriek van de nomadische "ander'; een neo-Heideggeriaans artikel tegen de techniek werd pas na veel vijven en zessen geaccepteerd als een betwistbare, maar wel invloedrijke stem in de techniekdiscussie.

Wat werkelijk "progressief' is, weet het blad dertien jaar en vijftig nummers na de oprichting nog altijd niet, en in het jubileumnummer wordt men er ook niet veel wijzer over. Curieuzer kon een portrettengalerij moeilijk zijn, met mooie stukken over Gracián, Jan Hollak, Carry van Bruggen en Paul Valéry, en iets minder mooie over Gaston Bachelard en Jan Hendrik Van den Berg. In het slechtste geval is het nummer een hobbydoos van redacteuren en medewerkers, in het beste geval een getuige van de veelkleurigheid van de filosofische traditie en de levenskracht van haar halfverlaten randgebieden.

Misschien vinden beide elkaar in de nadrukkelijke afwezigheid van grote parolen en het besef dat de strikt persoonlijke fascinatie niet ondergeschikt hoeft te zijn aan het nut van het algemeen - of zich dat nu presenteert onder het motto van vooruitgang, bevrijding of wetenschappelijke verlichting. Wat begon met de crisis van het marxisme, mondt dan vloeiend uit in een liberale twijfel aan de éne marsroute - zonder dat de gedachte aan een richting helemaal wordt prijsgegeven terwille van een vermoeide speelsheid die zich niet eens meer verplaatsen wil.

Zo lijkt de redactie het zelf in ieder geval het liefst te zien, ergens halverwege tussen Marx en Montaigne, tussen kritiek en verwondering. "Filosofen hebben de wereld steeds verschillend geïnterpreteerd,' schrijft ze in haar jubileumnummer. "Het komt er op aan over haar te struikelen.'