Zolang Bach wiegt, gaat niemand dood; Een onproblematische Johannes Passion

Het grote verschil tussen een evangelie lezen en een Passion bezoeken is: van het een raak je verbijsterd, omdat je eigenlijk niet kan geloven dat er iemand zou kunnen bestaan die dit lot, van deze aangekondigde dood, op zich genomen heeft. Van het andere, luisteren naar een Passion, raak je onder de indruk.

Bach was vader van heel veel kinderen, en ook nog de verwekker van een record aantal op schrift gestelde geesteskinderen. Jezus stierf daarentegen kinderloos, en dat dan ook nog zonder een enkel zelfgenoteerd zinnetje nagelaten te hebben. Toch laten de evangelies zich lezen als het verhaal van een man die geobsedeerd was door verwekken. Hij vermenigvuldigde brood, vissen, wijn. Hij wekte doden tot leven. Zijn lijdensverhaal is het verhaal van iemand die hoe dan ook wortel wilde schieten in de bewustzijnen van zoveel mogelijk mensen. Het is het moeilijkst te verhapstukken verhaal dat je bedenken kunt: een man weet dat hij vermoord zal worden en hij heeft bedacht dat dit juist is, want zijn dood zal hem voortplanten. Je kunt tegenspartelen als je het hoort en zeggen: wie wil zoiets nou? Maar je kunt nooit zeggen: het laat me koud. De evangelies zijn op een gruwelijke manier self-fulfilling. Het feit dat dit leven is naverteld maakt het met terugwerkende kracht geloofwaardig.

Het maakt niet zoveel uit of je gelooft of Jezus de geprofeteerde Messias was of niet. Deze hoofdpersoon wist van te voren als geen ander hoe onverbiddelijk het af zou lopen, en toch handelde hij zoals hij gehandeld heeft: door er op te vertrouwen dat hij niets anders hoefde na te laten dan zijn levensloop, dan dit verhaal, dat bovendien nog door anderen naverteld moest worden. Jezus zette alles op zijn dood. Meer was niet van belang, en daar vertrouwde hij op.

Uitgerekend Bach, de man die zo volmaakt bedoeld leek om nageslacht te produceren, en een oeuvre, is degene geworden dankzij wiens inspanningen er nog altijd, alle geloofsafval ten spijt, jaarlijks sprake is van een zekere belangstelling voor het verhaal van de Grote Kinderloze. En dat is ironisch. Het verklaart misschien waarom er meer in Bach wordt geloofd dan in het verhaal dat hij op muziek zette.

Het grote verschil tussen een evangelie lezen en een Passion bezoeken is: van het een raak je verbijsterd, omdat je eigenlijk niet kan geloven dat er iemand zou kunnen bestaan die dit lot, van deze aangekondigde dood, op zich genomen heeft. Van het andere, luisteren naar een Passion, raak je onder de indruk. Toch goed dat er Klank is. Wat zou ik zonder Bach moeten.

Althans, zo verging het me afgelopen zondag in Muziekcentrum Vredenburg toen ik een Johannes-Passion onder leiding van Ton Koopman bijwoonde. Het is de Passion met de vele koralen. Koopman kent als geen ander het geheim van de Wonderbaarlijke Stemmenvermenigvuldiging. Het koor klinkt bij hem als een samenstel van afzonderlijke, volstrekt persoonlijke stemmen, die tezamen weer afzonderlijke, collectieve stemmen worden, en die stemmen blijven, zo lijkt het, los van elkaar hoorbaar terwijl ze toch een geluid worden, en dat ene geluid trouwt dan weer met het ene, maar hoorbaar deelbare geluid van de instrumenten. IJl is het woord, maar dan op de wijze waarop een twijgje ijl kan zijn terwijl de boom kloek is.

Verslagen van Passion-uitvoeringen zijn altijd ondoorgrondelijk. Als ik nu vertel dat het fameuze Wohin? uit de aria-met-koor "Eilt, ihr angefocht'nen Seelen' klonk alsof er een groepje scholeksters werd opgeschrikt dat, meteen na de eerste paniek eendrachtig besloten had zijn mond te houden, dan voer ik een vergelijking in met alleen maar onbekenden. En ook de onwaarschijnlijk dunne, limonade-achtige aria "Zerfliesse, mein Herze', met zijn hoge blazers waarvan het authentieke koper een vreemd wapperend geluid maakte, kan alleen maar door Jac.P. Thijsse beschreven worden: Barbara Schlick zong deze droevigste van alle aria's als een verliefde maar toch rouwende wielewaal.

Veelstemmigheid, daar is Bach de belichaming van, en die is ook een reden om een Passion in het echt meegemaakt te willen hebben. Je hebt bij Bach je ogen nodig om meer te kunnen horen. Ik had een kaartje bemachtigd in de nok van de zaal, pal onder de lichtbruggen. De dirigent zat met zijn gezicht naar ons toe. Hij bespeelde tevens een orgeltje ter grootte van een keukentafel. De partituur was niet groter dan een missaal, en dat was juist. Zoveel noten moeten, indien mogelijk, worden samengeperst in een heel klein boekje, het als het heelal voor de Big Bang.

Deze dirigent kan niet monterder. Hij graaide in het boekje als een kind in de koektrommel. Al zijn gretige bewegingen verhelderden de muziek, en in het bijzonder het onnavolgbaar klinkende basso continuo. Samen met zijn bassist en de cellist (die alleen tijdens de aria's zijn hartverscheurende, en dus authentieke gamba greep) swingde hij Bachs pan uit. Ik meende dat ik alleen maar van de Polyfonie Volgens Glenn Gould hield, maar Koopman is beslist next best. En als hij met een rond polsgebaartje het koor sommeert op te staan, dan kom je zelf ook overeind, en je denkt: himmel, was ik maar een stem.

Ondertussen word je maar nauwelijks droevig van deze Bach. Dat heeft misschien met de Passion in kwestie te maken (de Mattheus is, herinner ik me, theatraler en huiveringwekkender), maar ook met deze nieuwe, post-authentieke, jubelende helderheid. Het gaat hier minder om Zegging dan om Speelplezier. Eerst vraag je je af of Bach dit zo wel wil, daarna weet je: wat Bach wilde, dat werd vooral door Ongelovige Vromen gewild, en Kerstnachtreligieuzen, en ten slotte besef je hoeveel meer dan ooit je nu hoort aan meerstemmigheid, instrumentatie, nuance en vooral ritme, en je besluit Bach te laten voor wat hij kennelijk ook kan zijn: het vadertje Johan Sebastiaan dat zich uitstort als een beek over een vrijwel verticale rotspartij. Vruchtbaarder en menigvuldiger kan hij haast niet klinken, en dat is opzienbarend, totdat het slotkoor begint te klinken. Ruht wohl, ihr heilige Gebeine. Dit is van oudsher, en werd ook die avond, verdriet, en een arm van altachtige stemmen om je schouder. Met een schokje besefte je dat er iets was voorgevallen waarvoor men getroost zou kunnen worden.

Dit koor is het ultieme slaaplied, te zingen aan de wieg van een gestorven Reuzenkind. Er is iemand die nooit meer wakker wordt. Schliesst die Holle zu, hoor je, en het is duidelijk dat Bach, behalve een vader, ook een moeder was die het kind zou blijven wiegen, want zo lang hij wiegt is niemand dood.

Er komt daarna nog een hemeljuichend koraal dat je misschien niet ook nog wilde horen omdat de punt al achter de volzin was gezet. En je begreep: hoe meer je geniet van een Passion, des te protestanter je wordt. Daar zou je Ton Koopman misschien nog het meest om willen prijzen: dat hij je niet de illusie heeft gegeven dat je het lijdensverhaal al genietende tot je door zou kunnen laten dringen. Het is nu eenmaal het levendst waar het 't gruwelijkst is, waar het je doet spartelen tegen de gedachte dat het heeft kunnen bestaan, een leven als dat van Jezus. Dit is een zindelijke, onproblematische Passion, deze van Koopman: bij zoveel speelgenot en vaart geloof je eigenlijk niet meer dat je er in had moeten geloven, want je geniet.