Vreemde talen

Terwijl ik in Berlijn deelnam aan een cultuurfestival, werden op het filmfestival van Rotterdam Chinese films vertoond.

Het is eigenlijk schandalig dat de overzeese Chinese literatuur zo achterloopt bij de Chinese film, die vorig jaar goed was voor tien internationale prijzen. Ik heb gehoord dat de actrice Gong Li - een van de vijftig mooiste vrouwen ter wereld - bij haar opkomst op een uitzinnig applaus werd onthaald. Het enige schoonheidsfoutje schijnt het bedroevende niveau van de Nederlandse tolk geweest te zijn, wat tot gevolg had dat Gong Li antwoord gaf op vragen die het publiek helemaal niet gesteld had. Ik ben vol bewondering voor het vermogen van de Nederlanders om vreemde talen te spreken, maar Chinees is natuurlijk wel wat erg vreemd. Over het algemeen is er toch wel een jaar of tien studie voor nodig om goed te kunnen tolken.

Natuurlijk zijn er uitzonderingen, zoals die 21-jarige studente van de Hogeschool Tolk Vertaler in Maastricht, die na vier jaar studie een mondeling examen deed waarbij ze zo vloeiend sprak dat het leek alsof ze een toespraak aan het houden was. Haar betoog over de economische hervormingen in China ging in op enkele zeer specialistische vraagstukken, zoals valutamarkten, kredieten en geldcirculatie, die glashelder en met vlekkeloze logica werden geanalyseerd. Haar indrukwekkende woordenstroom hield dertig minuten aan, zonder een enkele fout in de uitspraak. Haar examinators (onder wie een Chinees) waren al na een minuut met stomheid geslagen. Het enige waar ze het na afloop niet over eens konden worden was of ze haar een tien of een elf zouden geven. Zelfs na drie maanden kon je haar Chinese leraar nog horen verzuchten: “Wat een talent!”

“Wat een schande!” Nu ben ik zelf even aan het woord. Na vier jaar in het buitenland is mijn Engels nog steeds een ratjetoe. Het zal wel komen door dat jaar in Londen, waar mij door een Chinese vriend de volgende conversatiemethode aan de hand werd gedaan: als een Engelsman je iets vraagt wat je niet begrijpt kun je het beste net zo lang doorpraten tot hij vergeten is wat zijn vraag was. In Engeland en in Nederland kan ik me met die methode wel redden, maar in Spanje had ik er niets aan. Als ik de weg wilde vragen, moest ik gemiddeld twintig mensen aanklampen voordat ik er een had gevonden die Engels kende. Maar een keer heb ik daar toch versteld gestaan. Dat was op het P.E.N. Congres in Barcelona, toen de president van Catalonië aan het woord kwam. Hij begon met in het Engels te zeggen: “Het spijt me, maar ik ga weer iets zeggen en u zult weer moeten luisteren.” Daarna ging hij verder, om beurten sprekend in het Spaans, het Frans, het Duits en het Italiaans. Ik denk dat hij het had over het belang van taal. Aan het slot zei hij weer in het Engels: “Ik spreek vijf talen, maar toch houd ik het meest van mijn moedertaal.” Waarna hij afsloot in het Catalaans.

Zo'n president zul je op het vasteland van China niet vinden. Op Taiwan ligt het misschien anders. Taiwanezen van rond de vijftig zijn met vier talen grootgebracht: Japans, Hokkien, Mandarijn en Engels. Het probleem is dat ze geen moedertaal (Taiwanees) hebben. Taiwanese schrijvers hebben deze eeuw minstens drie keer hun taal verbannen zien worden. Aan het begin van de eeuw, toen de Japanners Taiwan bezetten, werd het Taiwanees verboden en konden Taiwanese schrijvers alleen maar in het Japans schrijven. Toen de Japanners China binnenvielen, ging een aantal Taiwanese schrijvers naar het vasteland om in de oorlog te vechten, maar omdat ze alleen maar Japans spraken, werden ze zodra ze voet op het vasteland zetten als Japanse spionnen opgepakt en afgevoerd. In 1949 vluchtte de Nationalistische regering naar Taiwan, schafte het Japans als voertaal af en voerde daarvoor in de plaats het Mandarijn in, waardoor de oude Taiwanese schrijvers opnieuw en masse analfabeet werden. Ten gevolge hiervan zijn ze dertig jaar lang vergeten. Pas halverwege de jaren tachtig zijn ze herontdekt en zijn hun werken vanuit het Japans in het Chinees vertaald.

Het is een grote troost voor me dat ik nog steeds een moedertaal heb, al heb ik dan geen tweede taal. Onlangs vertelde een Nederlandse vriend met de respectabele leeftijd van 72 jaar me dat hij van plan is om vanaf september in Leiden Chinees te gaan studeren. Ik moest lachen toen ik dat hoorde. Hij vroeg me waarom ik lachte. Ik antwoordde dat ik zeer geroerd was en vervolgens vertelde ik hem over mijn grootste succes tot op heden met de Engelse taal. Vorig jaar, tijdens een forum op een cultureel festival voor vluchtelingen in Utrecht, kreeg ik vanuit het publiek de volgende vraag voorgeschoteld: “Duoduo, aan wie denk je het meest als je je verjaardag viert?” Zonder tussenkomst van de tolk zei ik ogenblikkelijk in het Engels: “My mother.” Het applaus dat toen losbarstte is in mijn herinnering net zo uitzinnig als dat voor Gong Li.