Verslaafd aan seks, geld en schrijven; Twee biografieen van Georges Simenon

Hoewel Georges Simenon graag fantaseerde, zijn de feiten over deze egoïstische, opportunistische, aan excessen verslaafde en erotomane Belg langzamerhand wel bekend. Toch worden in twee onlangs verschenen biografieën deze feiten zeer verschillend uitgewerkt. "Bij hem was het werk een afleiding van de seks.'

Pierre Assouline: Simenon. Een biografie. Uitg. De Prom, 462 blz. Prijs ƒ 49,50, na 31 maart ƒ 59,50.

Patrick Marnham: De man die Maigret niet was. De biografie van Georges Simenon. Uitg. De Arbeiderspers, 405 blz. Prijs ƒ 59,90.

Een biografie ontleent haar belang minder aan de levensfeiten zelf dan aan de wijze waarop die feiten worden gestructureerd en gepresenteerd. Dat blijkt weer uit de twee recente Simenon-biografieën die nu in het Nederlands zijn vertaald: Simenon van de Fransman Pierre Assouline en De man die Maigret niet was van de Brit Patrick Marnham. Hoewel Georges Simenon (Luik 1903 - Lausanne 1989) in interviews, autobiografieën en autobiografische romans graag over zijn leven fantaseerde en fictie en werkelijkheid tot een mythe spon waarin hij zelf ging geloven, zijn de feiten waaruit het leven van "de grootste romanschrijver van onze tijd' (Andre Gide) is opgebouwd, zo langzamerhand wel bekend. Maar de beide biografen werken ze zeer verschillend uit.

De meeste lof voor het opdiepen van die feiten en het zorgvuldig onderscheiden van fictie en werkelijkheid komt toe aan Assouline. Hij is bij lange na niet Simenons eerste biograaf, maar wel de enige die met zijn toestemming inzage heeft gehad in de persoonlijke archieven. Simenon, dat in het Nederlands in een bekorte versie is verschenen maar nog altijd ruim 450 dichtbedrukte pagina's telt, geeft een onuitputtelijk lijkende hoeveelheid informatie over de "kleine Belg' die ongeveer 400 romans schreef en 28 delen memoires. En die tussendoor - naar eigen zeggen - de liefde bedreef met ongeveer 10.000 vrouwen, voor het merendeel hoeren, omdat hij zich in bepaalde periodes genoodzaakt voelde dagelijks minimaal vier verschillende dames te "bedienen'.

Assouline heeft gebruik gemaakt van alle beschikbare bronnen, inclusief Simenons literaire werk en informatie van zijn (ex-)echtgenotes en kinderen. Wat echter ontbreekt - en ik vind dat een groot gemis - is een theorie, of op zijn minst een hypothese over de mens Simenon, die de feiten en de anekdotes in een kader plaatst waarbinnen zijn karakter en ontwikkeling begrijpelijk worden. Assoulines biografie ontbeert de gave van de synthese.

Er is nog iets. Simenons devies, zowel gebaseerd op het evangelie als op zijn bewonderaar Gide, luidde: "Begrijpen zonder te oordelen'. Dit was ook de instelling van zijn geesteskind Maigret, die zijn succes dankt aan de onnavolgbare wijze waarop hij zich in mensen verplaatst om zo hun geheimen te ontraadselen. Het vellen van oordelen rekent de populaire politiecommissaris niet tot zijn taak, dat laat hij bij voorkeur aan de rechter over.

Pierre Assouline is ook in de huid van de rechter gekropen, hij oordeelt en wijst een streng vonnis: "Ondanks de miljoenen verspreide boeken is de man niet bemind, al wordt hij als romanschrijver verafgood. Jammer,' zo besluit hij zijn Simenon-biografie.

Ontmythologisering

Op zichzelf is zo'n aanpak oirbaar en in ieder geval te prefereren boven levensbeschrijvingen waarin de "held' wordt aanbeden en verheerlijkt. Ontmythologisering is een wezenskenmerk van de moderne biografie, die zowel "einfühlend' als kritisch behoort te zijn. Wie echter te kritisch is, loopt het gevaar van reductionisme en in deze val trapt Pierre Assouline. Een grondige studie van Simenons journalistieke (jeugd-)werk, zijn politieke voorkeuren en zijn opstelling in de Tweede Wereldoorlog (Simenon werkte onder andere voor en verdiende veel geld aan de Duitse filmmaatschappij Continental) brengt hem tot de overtuiging dat Simenon een antisemiet was, iemand die altijd "een diepgewortelde rechtse overtuiging heeft gehad' en zoniet een collaborateur, dan toch in ieder geval een "gecompromitteerd' schrijver was.

Het probleem is niet dat Assouline deze kwalificaties niet waar maakt - hij doet dat uitvoerig - het is de irritante beschuldigende toon waarop hij aanklaagt en vonnist, zonder dat hij ook maar iets aan het oordeelsvermogen van de lezer overlaat. Simenon schreef op zijn zeventiende als verslaggever van de Gazette de Liège in opdracht een serie artikelen over "het joodse gevaar' die er niet om loog en die gebaseerd was op het antisemitische schendschrift De protocollen van de wijzen van Zion. En in de Tweede Wereldoorlog, toen hij de jaren des onderscheids al ruimschoots had bereikt, tekende hij verscheidene malen een ariërverklaring. Toch was zijn gedrag tijdens de oorlog niet van dien aard dat hij na de bevrijding op de zwarte lijst terecht kwam en een publikatieverbod kreeg opgelegd. Weliswaar werd er een aanklacht tegen hem ingediend, maar die werd wegens gebrek aan voldoende belastende feiten geseponeerd.

Assouline - zo lijkt het wel - vermeldt dit laatste met spijt. In zijn ogen was Simenon schuldig. Over het feit dat Simenon na de oorlog niet "gezuiverd' werd, merkt hij op dat hij zich kennelijk "voldoende heeft doen vergeten om niet meer actueel te zijn'. Het besluit van Simenon in de zomer van 1945 om met zijn gezin naar Amerika te emigreren doet hij af met het zinnetje: "Degenen die in die tijd vertrekken, hebben over het algemeen iets te verbergen.'

Van dergelijke ongefundeerde insinuaties wemelt het. Als er toch een lijn in Assoulines biografie te ontdekken valt, dan bestaat die uit wantrouwen. Zo schrijft hij over Simenons schooltijd: "Hij is steeds de snelste in het leren van zijn lessen en het maken van zijn huiswerk, maar we weten nu hoe hij dat deed: hij knoeide.' Intussen weet de lezer van niets, wat de biograaf er niet van weerhoudt dit "knoeien' aan het eind van zijn boek te laten terugkeren als bewijs van Simenons onbetrouwbaarheid.

In zijn drang tot ontmaskeren heeft Assouline andere facetten van Simenons leven braak laten liggen. De - vaak langdradige - uitweidingen over zijn geldzucht en de relatie tot zijn uitgevers staan in geen verhouding tot de beknopte informatie over zijn liefdesleven. Simenons drie vrouwen, Tigy, Denyse en Teresa en zijn bijna levenslange kokkin en matresse Boule komen er bekaaid af. Ook het grote drama in het leven van Georges Simenon, de zelfmoord in 1978 van zijn geliefde 25-jarige dochter Marie-Jo krijgt geen duidelijke plaats, al wordt de vader er en passant (mede-) verantwoordelijk voor gesteld.

Meeslepend

Biograaf Patrick Marnham kon putten uit dezelfde bronnen als Assouline (van wiens biografie hij trouwens gebruik heeft gemaakt) maar daarenboven beschikte hij over de gave der synthese. Van zijn meeslepende De man die Maigret niet was had het motto "begrijpen zonder te oordelen' kunnen zijn. Niet dat de egoïstische, opportunistische aan excessen verslaafde en erotomane Simenon onder Marnhams handen tot een sympathiek mens uitgroeit, verre van dat, maar hij laat het oordelen aan de lezer over.

Met dezelfde literaire middelen die Simenon zo perfect beheerste, schetst Marnham het kleinburgerlijke katholieke milieu waarin de schrijver opgroeide en hij geeft een fascinerend beeld van het leven in Luik aan het begin van deze eeuw. Hij maakt duidelijk hoezeer Simenon gevormd is door dat milieu waarin de door hem vereerde tolerante vader overheerst werd door een opportunistische (ze verhuurde kamers aan Duitsers tijdens de Eerste Wereldoorlog) en liefdeloze moeder. Door de volslagen normloosheid tijdens de Eerste Wereldoorlog - de periode waarin Simenon zijn puberteit beleefde - raakte hij zijn plechtankers kwijt en zocht hij zijn heil in drank, bordelen en obscurantisme. Een criminele carrière ontliep Simenon dank zij een aanstelling op vijftienjarige leeftijd als misdaadverslaggever bij de conservatief katholieke Gazette de Liège, waar hij al snel een dagelijkse column kreeg.

Marnhams interesse gaat in de eerste plaats uit naar Simenons schijverschap. Na de Eerste Wereldoorlog vertrok hij naar Parijs, aanvankelijk alleen, later gevolgd door de drie jaar oudere schilderes Tigy, en begon zijn schrijverscarrière. In Marnhams ogen ontsproten Simenons pathologische produktiviteit (het was een dwang die hijzelf als een ziekte omschreef) en zijn seksuele obsessie uit dezelfde bron.

Simenon heeft nooit erkend dat hij "un obsédé sexuel' was, een seksmaniak. Hij beschouwde zijn gedrag als volkomen normaal. Maar Marnham spreekt van een seksuele verslaving die zich nauwelijks onderscheidt van Simenons schrijfverslaving. "De meeste mensen werken elke dag en genieten periodiek van seks. Simenon deed elke dag aan seks en gaf zich om de paar maanden over aan een woeste orgie van werken. In de loop der jaren kwamen zijn werkfasen iets minder voor, maar zijn seksuele discipline werd onverschrokken gehandhaafd, alsof het nodig was voor de hygiëne. (-) Bij hem was het werk een afleiding van de seks.'

Afwijzing

Zelf heeft Simenon opgemerkt dat seks voor hem communicatie betekende. Marnham maakt aannemelijk dat schrijven (wat in zijn geval betekende: zich voor honderd procent verplaatsen in een personage) voor Simenon op hetzelfde neerkwam als seks. Zijn verklaring van Simenons activiteiten is een Freudiaanse. Zijn produktiviteit, zijn dwangmatige gedrag, het mislukken van zijn huwelijken en zijn onvermogen zich ergens blijvend te vestigen, passen volgens hem in een patroon dat is terug te voeren op zijn vroege jeugd: dat van de afwijzing. "Het gevoel van waardeloosheid dat Simenon in Balzac had herkend, en dat hij deelde, de schaamte die hem ertoe dreef grote dingen te verrichten, al die dingen kwamen voort uit de geringe waardering die zijn moeder voor hem had, uit haar afwijzing van zijn liefde.'

Marnham is te werk gegaan als de auteurs van negentiende-eeuwse naturalistische romans. Het resultaat is een geloofwaardig portret van een gecompliceerd mens. Een hogere eis is er aan een biografie nauwelijks te stellen.