Tsjik-tsjik

Norman Silver: Tuttifrutti-chocoladeijs met nootjes. Vert. Anneke Koning-Corveleijn. Uitg. Lemniscaat. Prijs ƒ 26,50. Vanaf ca. 12 jaar.

Ruim een jaar geleden verscheen het debuut van de van oorsprong Zuidafrikaanse schrijver Norman Silver in Nederlandse vertaling, onder de titel Geen tijgers in Afrika. In deze jeugdroman beschrijft Silver in gespierde taal de ervaringen van een blanke Zuidafrikaanse jongen die met zijn familie naar Engeland is geëmigreerd en aldaar een flinke cultuurschok krijgt: het comfortabele leven dat de familie in Zuid-Afrika heeft geleid maakt plaats voor een hard bestaan dat gekenmerkt wordt door aanpassingsproblemen. Naarmate de hoofdpersoon, Selwyn, dieper wegzakt in de narigheid, begint zijn verleden zich scherper af te tekenen. In tegenstelling tot wat Selwyn zichzelf heeft voorgehouden vormt Zuid-Afrika de bron van alle ellende, of, zoals een vriendin het verwoordt: "Zuid-Afrika doet rare dingen met mensen. (-) Er vloeit daar een hoop bloed en er is veel pijn.'

Het tweede boek van de al jaren in Engeland woonachtige Silver, die deze week een bezoek bracht aan Nederland, is evenals Geen tijgers in Afrika autobiografisch getint maar aanmerkelijk minder grimmig van toon. Tuttifrutti-chocoladeijs met nootjes bevat twaalf korte verhalen die alle geschreven zijn vanuit het perspectief van de achttienjarige Basil. Zonder dat hij zich daarvan bewust lijkt te zijn, schetst Basil de riante positie die hij als blanke, joodse jongen in Zuid-Afrika inneemt. Zijn dagelijkse beslommeringen hebben zo op het oog weinig te maken met de politieke situatie: in zijn streven naar onafhankelijkheid voert Basil een stille strijd met zijn "tamelijk liberale' maar intussen nogal betuttelende ouders, hij experimenteert een beetje met seks en tobt over de kwestie of hij nu journalist moet worden of arts, zoals zijn liefhebbende ouders zo graag zouden zien.

Toch heeft Basil wel degelijk oog voor het lot van de zwarten, al zal hij nooit op de barricaden gaan staan. Dat laatste beschouwt hij in zekere zin als een tekortkoming, iets waar hij zich na de gewelddadige dood van een vriendin, een politiek bewuste kleurlinge, maar al te zeer bewust van is: "Toen de auto de weg opreed en om de hoek verdween, wist ik dat ik een van die mensen wilde zijn die de toekomst opeisten, vrijheidsleuzen zingend en schreeuwend, maar ik wist ook dat ik nooit een van hen zou zijn.' Maar door zijn Russisch-joodse afkomst beschouwt Basil zichzelf net zo min een Afrikaner.

In alle verhalen in Tuttifrutti-chocoladeijs met nootjes speelt de politieke situatie in Zuid-Afrika een rol, waarbij Basil zich aan de zijlijn opstelt. Het ambivalente in Basil, die zowel opstandige als gemakzuchtige trekjes vertoont, komt het sterkst tot uiting in het prachtige verhaal "Tsjik-tsjik', waarin hij een mooie relatie aanknoopt met de blanke Grieta. Beiden werken ze als vrijwilliger in een centrum voor gehandicapte kleurlingen, en Grieta's ouders, oerconservatieve Afrikaners, zijn hier niet van op de hoogte. Als Grieta Basil bij haar thuis uitnodigt, instrueert ze hem haar vader zoveel mogelijk naar de mond te praten, wat hem aardig lukt: Basil valt bij haar ouders in de smaak en zijn relatie met Grieta wordt steeds inniger. Totdat een vrijpartij achter een struikgewas op een ruwe manier wordt verstoord door de agressieve brigadier "Tsjik-tsjik', die Basil al eerder waarschuwde voor zijn welwillende houding tegenover kleurlingen, en door Grieta's vader, die hem ter plekke uitmaakt voor "relschopper', voor "verdomde leugenaar van een Engelsman' en voor "communist'. Het abrupte einde van de relatie wordt bezegeld met het triomfantelijke gebaar van de brigadier die zijn wijsvinger langs zijn keel haalt: tsjik-tsjik, eigen schuld, ik had je gewaarschuwd.

Silvers verhalen zijn schetsmatig van opzet, het zijn jeugdherinneringen, waarin ideeën, losse opmerkingen en associaties als bij toeval aan elkaar zijn gebreid. Zijn toon is genuanceerd en persoonlijk, bijna vertrouwelijk, waarbij hij wat mij betreft de op gezette tijden gehanteerde jij-vorm ("je raadt nooit', "denk je niet?' etcetera) wel weg had mogen laten omdat die een beetje poppenkastachtig aandoet in dit verder zo volwassen geschreven boek. Silver bekommert zich niet erg om structuur, maar des te meer om sfeer en details en daarin betoont hij zich een goed verteller. En ook een geestige, zoals met name blijkt uit terloops genoteerde opmerkingen: "Maar ik moet mijn vader wel één ding nageven. Hj inhaleerde nooit. Hij zei dat dat slecht voor je longen was. Het enige nadeel was dat ik niet wist hoe ik adem moest halen zonder te inhaleren. Dus ik denk niet dat mijn longen er veel aan hadden dat mijn vader niet inhaleerde.'