Tachtigjarige Oorlog? Nooit van gehoord

Is er nog geschiedenis na de basisvorming? Van verschillende kanten hebben historici de vrees uitgesproken dat de eerste jaren van het vernieuwde voortgezet onderwijs bij het vak geschiedenis zullen leiden tot overmatige aandacht voor de laatste twee eeuwen. “En leerlingen moeten ten minste ruiken aan de prehistorie”, meent de historicus prof.dr. J. Blom. Maar J. Greep, docent geschiedenis aan de Hogeschool Rotterdam en nauw betrokken bij het nieuwe leerplan, noemt het een illusie dat je leerlingen in 200 lesuren een algemeen overzicht kunt geven van ruim 2000 jaar geschiedenis. Een debat.

UTRECHT, 26 MAART. Zestienhonderd-slag-bij-Nieuwpoort. Historische weetjes als deze zijn voortaan minder belangrijk dan "historische vaardigheden'. Het voortgezet onderwijs staat op de drempel van grote veranderingen. De basisvorming zal per augustus alles anders maken. Voor het vak geschiedenis zijn veertien kerndoelen vastgesteld: richtlijnen voor wat leerlingen voortaan moeten kennen maar vooral kùnnen na drie jaar geschiedenis.

De historicus prof.dr. H.L. Wesseling trok vorig week in deze krant van leer tegen deze nieuwlichterij. Volgens hem hebben de kerndoelen niet veel met geschiedenis te maken.

Niet het geschiedverhaal, maar zelfstandig werken staat met ingang van het nieuwe schooljaar centraal. Zo moeten leerlingen aan de hand van voorbeelden uit deze eeuw veranderingen kunnen aangeven “in de samenstelling van en de rol- en arbeidsverdeling binnen huishoudens”. Aandacht voor Oudheid en Middeleeuwen is er nauwelijks.

“Een voorbeeld van een document zoals het niet moet”, zegt prof.dr. J.C.H. Blom, hoogleraar Nederlandse geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam. Hij wantrouwt de kerndoelen. “De overmatige aandacht voor de twintigste eeuw is ongelukkig. Leerlingen krijgen zo een vreemd beeld van de geschiedenis. In de tweede plaats ligt het accent op - in eigenaardig jargon omschreven - vaardigheden die de aandacht afleiden van wat voorop moet staan: elementaire kennis van het verleden.”

J.C.M. Greep, voorzitter van de commissie die de eindtermen voorbereidde, had ook graag “meer aandacht voor Egyptenaren, Grieken en Romeinen gezien”. “Maar we moesten ons houden aan het rapport van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, dat stelt dat het onderwijs moet aansluiten bij wat nu gebeurt. Dan kom je uit bij de laatste twee eeuwen. Bovendien is het vak maatschappijleer niet opgenomen in de basisvorming. Elementen van dat vak moeten worden behandeld in de geschiedenisles en dat gaat ten koste van oudheid en middeleeuwen.”

Het leren van vaardigheden vindt Greep juist van groot belang. “Natuurlijk, kennis staat voorop. Maar hoe wordt die verworven? Dat kun je doen door uit je hoofd leren, maar ik heb meer vertrouwen in vaardigheden: kennis verwerven door "zelfontdekkend te leren'. In de kerndoelen staat bijvoorbeeld dat leerlingen oorzaak en gevolg in weinig complexe historische gebeurtenissen moeten kunnen onderscheiden. Je kunt hun een tekst geven en zeggen: "Zoek op wat oorzaken zijn en wat gevolgen.' In een discussie laat je vervolgens zien dat oorzaak en gevolg vaak niet eenvoudig te scheiden zijn.”

BLOM: “De kerndoelen zijn veel te ambitieus. Ze geven minimum eisen aan voor àlle leerlingen tussen de 12 en 14 à 15 jaar, ook voor hen die zitten op wat wij vroeger de ambachtsschool noemden. In mijn kerndoelen zou de eenvoudige hoofdlijn zijn: Waarom geven we het vak geschiedenis? Omdat we willen dat zo veel mogelijk mensen een zekere kennis van het verleden hebben. Waar ze later iets mee kunnen, zodat ze de krant beter begrijpen. En daarvoor moet je ontzettend diep vele eeuwen teruggaan.” GREEP: “Zo'n algemeen overzicht is illusie-politiek, tenzij je teruggaat naar de periode van voor de Mammoetwet toen je van de eerste tot de zesde klas vier uur geschiedenis per week kreeg. In plaats van een oppervlakkig overzicht - want we hebben nog maar twee uur per week - kun je beter een paar onderwerpen uitdiepen, zodat leerlingen het wezen van het vak geschiedenis in de gaten krijgen.” BLOM: “Maar de functie van het vak is toch niet een idee geven hoe geschiedenis aan de universiteit wordt beoefend? De functie is algemene ontwikkeling. Ieder kind heeft er recht op aan alles geroken te hebben, ook aan de prehistorie.” GREEP: “Het idee dat je leerlingen algemene ontwikkeling moet geven, is onderwijskundig achterhaald. Dat ruikt naar de Encyclopédie van de Verlichting.” BLOM: “Vreemd, dat niemand zich ooit druk maakt over het leren van woordjes bij talen maar wel over elementaire kennis van geschiedenis.” GREEP: “Kennisverwerving is óók nodig. Maar uitsluitend memoriseerbare kennis is de leerling over drie maanden vergeten. Dat is de manier waarop wij vroeger les kregen.” BLOM: “Ik heb genoten van de manier waarop ik les kreeg. Laat ik dat vaststellen.” GREEP: “In plaats van een encyclopedie aan kennis kun je beter vaardigheden leren. Je kunt bijvoorbeeld een brugklasser de opdracht geven: "Hier zijn verschillende ooggetuigen van de moord op Caesar. Zoek uit waarom jij vindt dat hij vermoord werd.' Zo ontdekt de leerling dat mensen met verschillende ogen naar dezelfde dingen kijken.” BLOM: “Wat je dan krijgt, is kunstjes met bronnen - meer niet. De leerling kan zelf geen bronnen duiden. Daar is veel voorkennis voor nodig. Je kunt beter een verhaal vertellen en dat aan de hand van bronnen illustreren.” GREEP: “Hoezo, kunstjes? Leerlingen moeten weten dat geschiedenis geen sprookje is, maar dat het is gebaseerd op wetenschappelijk onderzoek en dat daar bronnen voor nodig zijn. Dat kan ook een MAVO-leerling.” BLOM: “Ik betwijfel of dat pedagogisch zo is.” GREEP: “Dat hoef je niet te betwijfelen, dat blijkt uit Amerikaans leerpsychologisch onderzoek. De slechtste vorm van leren is memoriseren. Er zijn andere vormen van lesgeven, waardoor er meer beklijft. Stel, jij gaat de Tachtigjarige Oorlog uitleggen, dan begin je bij het aftreden van Philips II...” BLOM: “Nee, ik begin bij de Prehistorie.” GREEP: “Niet waar, want je komt een derde klas binnen. Je vertelt je verhaal in 45 minuten en de volgende keer ga je verder. Ik zou ook met een verhaal beginnen, maar dan van 20 minuten. Langer luisteren leerlingen toch niet, dat is bewezen. Daarna laat ik ze 20 minuten gestructureerde opdrachten uitvoeren en die gaan we vervolgens bespreken. Het tempo ligt dan lager, maar met het mooie geschiedenisverhaal alleen ben je er niet.” BLOM: “Je moet bescheidener zijn in wat je vastlegt in kerndoelen. We praten hier over wat de overheid voorschrijft. Dan moet je niet vastleggen hoe de lessen er uit moeten zien: of de leraar in de klas vaardigheden aanleert of dat hij zijn leerlingen met een mooi verhaal boeit. De methodiek hoort tot de vrijheid van onderwijs. Bovendien, je moet leerlingen niet het algemene overzicht onthouden.” GREEP: “Ik onthoud leerlingen niets. Ik maak keuzes. Je kunt in 200 lesuren niet alles behandelen. Als overheid kun je de keuze niet overlaten aan de willekeur van de leraar.” BLOM: “Maar de keuze die nu is gedaan is absurd. Waarom moeten leraren dat willekeurige lijstje dat nu uit de bus is gekomen hanteren?” GREEP: “Iedere lijst is willekeurig. Je hebt bij geschiedenis geen keiharde criteria, zoals bij wiskunde, op grond waarvan je bepaalt wat de lesstof moet zijn. Er lopen nu al hele volksstammen in Nederland rond die nooit van de Tachtigjarige Oorlog hebben gehoord. Dat is een gevolg van het afschaffen van geschiedenis als verplicht vak in de hoogste klassen, met het invoeren van Mammoetwet. Tussen hun zestiende en achttiende worden leerlingen zich van hun verleden bewust en juist in die periode wordt het vak geschiedenis van hen afgepakt. In het buitenland vinden ze ons gewoon geschift.” BLOM: “Daarover zijn we het roerend eens. Het gaat om de bovenbouw van HAVO en VWO: de toekomstige elite, die een belangrijke dosis geschiedenis nodig heeft om maatschappelijk te kunnen functioneren. Daarom zijn we nu aan de gang met wat je met een modern woord "lobby' zou kunnen noemen.”