Sta rechter toetsing van wet aan grondwet toe

Diverse auteurs hebben het vraagstuk of het de Nederlandse rechter moet worden toegestaan de wetten aan de grondwet te toetsen, geconcentreerd op het belang van de grondwet zelf. Ik wil de grondwet meer benaderen uit het concept van de rechtsstaat als middel tot gecontroleerde machtsuitoefening in de staat.

Het rechtsstaat-model is gebaseerd op drie pijlers: de democratische legitimering van regelgeving, de scheiding van de macht in een wetgevende, rechtsprekende en uitvoerende macht en de begrenzing van de overheidsmacht met behulp van een grondwet. In dit model moet de rechter zorgen dat alle partijen zich aan de spelregels (grondwet) houden. In Nederland bestaat de scheiding tussen wetgever en uitvoerende macht niet, de regering en de staten-generaal zijn samen wetgever, de regering voert uit. Verder heeft de rechter niet de bevoegdheid om regering en Staten-Generaal aan de grondwet te binden.

Er zijn drie argumenten die pleiten voor bezinning op onze rechtsstaat, welke ten minste moet leiden tot opheffing van het toetsingsverbod voor de rechter: 1) de verandering van de feitelijke machtsstructuur in onze samenleving, 2) de culturele grondslag van onze samenleving en 3) de opkomende individualiteit.

Nederland heeft anders dan staten die het rechtsstaat-model volledig hebben doorgevoerd, nooit een situatie gekend waarin sprake was van absolute macht (Frankrijk tot 1789 of de VS tot 1776). In Nederland was de macht altijd verdeeld over diverse groepen. In de Republiek de verschillende partijen, bij het begin van het koninkrijk de Belgen en de Nederlanders en later de verschillende zuilen. Deze natuurlijke machtenscheiding maakte dat diverse groepen in onze samenleving elkaar nodig hadden, dit leverde een waarborg voor de eerbiediging van als fundamenteel ervaren rechten op.

Sinds het eind jaren zestig zien wij deze verzuiling afbrokkelen. Voor deze zuilen kwamen geen nieuwe, rivaliserende en evenwichtsbepalende groepen in de plaats. Ook in de politiek zien we een situatie waarin partijen een machtsevenwicht missen. Aan de ene kant is er een tamelijk stabiele partij als het CDA, terwijl de andere partijen sinds de jaren zeventig geconfronteerd worden met een roulerend electoraat en daarmee samenhangende instabiliteit. Onder deze omstandigheid wordt ongecontroleerde machtsuitoefening denkbaar.

Een tweede argument is de zich snel veranderende culturele grondslag van ons land te noemen. Tot voor kort kenden wij een betrekkelijk eenvormige culturele grondslag. Het rechterlijk toetsingsrecht zou kunnen bijdragen aan een vriendelijke ontmoeting tussen onze culturele basis, neergelegd in grondrechten, en de nieuwe instroom van culturen. Een confrontatie zou dan kunnen worden omgezet in absorptie.

De lakmoesproef bij uitstek van onze rechtsstaatconceptie, is de mate waarin zij de autonomie van het individu kan garanderen. Het systeem moet vooral werken als staatsorganen zich niet "netjes' gedragen. De opkomende individualisering leidt tot toenemend onbegrip tussen burgers en besluitvormers, wederzijdse verwachtingen komen steeds minder uit. Dit leidt tot gedachten over calculerende burgers zonder oog voor collectieve belangen. De politiek neigt naar sturing van dit proces. Opvallend hierbij is de mate van unanimiteit binnen de politiek. De vraag is nu of onze rechtsstaat voldoende waarborgen kent om in deze situatie de belangen van collectief en individu te harmoniseren, als deze tegenovergestelde belangen hebben.

Het wegvallen van de "natuurlijke' machtsevenwichten in onze samenleving, het opnemen van andere culturen en de toenemende belangen-divergentie tussen collectief en individu maken een herbezinning op de taak en organisatie van onze rechtsstaat onontkoombaar, te beginnen met opheffing van het toetsingsverbod.