Onze fundamentalisten

In de tijd van de verzuiling bestonden er drie Nederlandse literaturen, waarvan de algemene weer was onderverdeeld in een aantal kampementen, bewoond door dichters en schrijvers die elkaar niet konden luchten of zien.

De katholieken mochten een boek van de algemenen niet eens in huis hebben, en de protestanten bouwden aan hun soevereiniteit in eigen kring waarbinnen zich toestanden afspeelden die door de algemenen niet werden waargenomen, laat staan dat ze er een vermoeden van hadden. Als de dag van gisteren kan ik me herinneren dat ik de prot. chr. literatuur ontdekte: in een advertentie las ik dat de roman De Haneveertjes van J.W. Ooms in de zestiende druk was en een oplage van 200.000 had bereikt. J.W. Ooms, weet ik nu, is de auteur van een ongeteld aantal streekromans die zich in de Alblasserwaard afspelen. De belangrijkste is De Korevaars dat hij schreef toen hij 23 was. Ooms is in 1974 gestorven. Met zijn omvangrijk oeuvre heeft hij de Winkler Prins niet kunnen bereiken. Ik zeg het zonder dédain; de WP is een algemene encyclopedie. Ik heb niets van Ooms gelezen maar ik vind dat hij wel een paar regels verdiend heeft.

Door de komst van de streekbus, de televisie, het beroepsvoetbal, de dagbladconcentraties en het systeem der sociale wetten leek het met de verzuiling gedaan te zijn. De tijd is te kort om vast te stellen of het algemene beschavingspeil ermee is verhoogd maar de Nederlanders kunnen elkaar in ieder geval beter begrijpen. Aan dit interregnum van Verlichting zal misschien nu vlug een eind komen, zeker als het aan dr. J. Stroop ligt, althans volgens de tekst die hem in de Volkskrant van 22 maart door Kees Bastianen wordt toegeschreven. Dr. Stroop is docent aan het Instituut voor Neerlandistiek van de Universiteit van Amsterdam. Vorige week zaterdag zei hij op de Dialectendag in de Brabanthallen het volgende: "Ik stel vast dat er in Nederland feitelijk geen Algemeen Beschaafd Nederlands bestaat, een ABN volgens de oude opvattingen, reukloos en smetvrij, en dat er steeds minder mensen zijn die zich daar zorgen om maken. Het ABN is verdwenen bij gebrek aan belangstelling,' aldus de wetenschapper. De conclusie die in dit verslag herhaaldelijk wordt getrokken is dat het ABN het veld ruimt voor het AAN, het algemeen aanvaard Nederlands.

Laat ik me gematigd en beheerst uitdrukken: ik ben het er niet mee eens. Ik deel de conclusie niet en ik vind de geestdrift die eruit spreekt voorbarig. Jawel, iedereen weet dat overal in Nederland sinds jaar en dag plaatselijke dialecten worden gesproken en dat er nieuwe, van het ABN afgeleide talen in ontwikkeling zijn. Zo heb je een parlementair Haags dat door Kamerleden en ambtenaren wordt gesproken en waarvan verder alleen parlementaire journalisten weten wat ermee wordt bedoeld. Kees Bastianen heeft dat als parlementair redacteur op de voet gevolgd. De Groningers drukken zich anders uit dan de Limburgers, de Tukkers of de Rotterdammers. Veel arbeiders spreken een ander Nederlands dan veel studenten die lid van een corps zijn. Dat is nu eenmaal zo, het onttrekt zich aan de categorieën van wenselijk en onwenselijk.

Dr. Stroop vindt dit, te oordelen naar het citaat in de Volkskrant niet. Als ik hem goed begrijp is hij van mening dat het ABN ten dode is opgeschreven omdat het "reukloos en smetvrij' zou zijn en dat, in tegenstelling daarmee, het "regiolect' - een treurige vondst - het voordeel heeft dat je het goed kunt ruiken en zien omdat het kleurrijk is, en daardoor levenskrachtig.

Om te beginnen is het de vraag of eigenschappen van een taal kunnen worden verhelderd door middel van metaforen die aan de parfumerie of de schilderkunst zijn ontleend. Maar laten we aannemen dat dit het geval is. Dan nog vind ik het een vreemde redenering. De aantrekkelijkheid of het weerzinwekkende van een taal wordt niet veroorzaakt door de woorden waaruit die taal bestaat maar door de manier waarop ze worden gebruikt. Voor de oorlog had je een VoVa taal die voor het allergrootste deel bestond uit dezelfde woorden die ook Menno ter Braak gebruikte. Juist door de algemene verstaanbaarheid van beide "talen', liever gezegd, doordat beide partijen ieder op hun manier gebruik maakten van het ABN, werd de lezer in staat gesteld de wereld van verschil naar waarde te schatten. Toen was het ABN niet "vitaler' dan nu. Anders gezegd: terwijl ik dit stukje schrijf heb ik niet het gevoel dat ik me bedien van een taal die op apegapen ligt.

Integendeel: deze voorbarige doodverklaring, gepaard aan de geestdrift voor de "regiolecten' - hoe verzin je zo'n anemisch woord - bevordert m'n plezier in het zinnen maken. Het ontbreekt me aan ruimte en tijd om een nadere poging tot bewijsvoering te doen, maar eerlijk gezegd denk ik dat we in deze hartelijke verwelkoming van de "regiolecten' - dat woord ruikt naar figuurzagen - te maken hebben met de Nederlandse versie van het fundamentalisme, de wereldwijde stroming die ons wil terugbrengen naar de Middeleeuwen.