Ontsnapt aan de duisternis; Titiaan en andere Venetianen in Parijs

De carrière van Titiaan duurde zonder inzinkingen zeventig jaar en hij is het dan ook die op de Parijse tentoonstelling "Le siecle de Titien' domineert. De Venetiaanse schilder heeft in realistische portretten het beeld van vele zestiende-eeuwers vastgelegd: Karel V te paard, de slanke Philips II, de sluwe paus Paulus III. Weerspiegelen de schilderijen zijn innerlijk gemoed?

Le Siècle de Titien. L'âge d'or de la peinture à Venise. In het Grand Palais te Parijs. Tot 14 juni. Catalogus 390 Ffr.

Titiaan is er met zijn hoofd niet helemaal bij. Op dit machtige portret, eigendom van de Gemäldegalerie in Berlijn heeft de schilder zichzelf frontaal afgebeeld, zittend aan een tafel. Zijn ene hand rust op de tafel, de ander op zijn dijbeen. Hij kijkt de beschouwer niet aan, hij staart opzij, in gedachten verzonken. Hij poseert niet, dat is niet eens nodig. Zijn machtige gestalte, de eerbiedwaardige kop, de nonchalant om de hals hangende gouden ketting, een geschenk van keizer Karel V, maakt in één klap duidelijk dat dit een krachtige zelfbewuste persoonlijkheid is. Titiaan heeft het schilderij niet eens afgemaakt. De linkerhand bestaat uit wat grijsbruine vlekken, maar in het rauw geschilderde compositie valt dat nauwelijks op.

Dit meesterlijke zelfportret dateert waarschijnlijk uit 1562 en hangt op de tentoonstelling Le siècle de Titien in het Grand Palais te Parijs. De vroegste portretten door Titiaan op deze indrukwekkende tentoonstelling dateren van een halve eeuw eerder. Ze tonen dezelfde energieke personages, alsof Titiaan alleen maar mensen uit één stuk heeft gekend. Maar deze vroege portretten zijn fijner geschilderd met meer kleur en met meer uitgewerkte details. In die vijftig tussenliggende jaren groeide Titiaan uit van een van de leerlingen van Giovanni Bellini tot de monumentale centrale figuur van de Venetiaanse schilderkunst. Geëerd en met opdrachten overstelpt door bisschoppen, kardinalen, hertogen, markiezen, dogen, koningen en zelfs door keizer Karel V. Titiaan was een levend monument met een zinderende uitstraling op zijn tijdgenoten. Zijn carrière duurde zonder inzinkingen zeventig jaar en hij is het dan ook die de tentoonstelling in Parijs domineert. Om hem heen schitteren zijn Venetiaanse collega's en leerlingen.

Le siècle de Titien is een megalomane onderneming van de scheidende directeur van het Louvre, Michel Laclotte. Groter dan de Titiaantentoonstelling in 1990 in Venetië, maar die was door de niet te overtreffen ambiance van het Dogenpaleis wel mooier. Wat in Parijs bijeen is gebracht is eigenlijk onmogelijk. In totaal 135 schilderijen en nog eens 140 tekeningen en gravures van Bellini, Titiaan, Giorgione, Jacopo Bassano, Dosso Dossi, Tintoretto, Veronese en anderen. Alle thema's zijn goed vertegenwoordigd, de bijbelse onderwerpen, mythologie, pastorale scènes en portretten. De bruiklenen komen uit musea, uit particuliere collecties en soms uit de oorspronkelijke plaatsen, de kerken en kloosters. Zaal na zaal wordt men geïmponeerd door de intensiteit van de Venetiaanse schilders. In de chronologische opstelling volgt men de ontwikkeling van de Venetiaanse school van Bellini via de verschillende fasen waarin Titiaan voorop liep tot het eind van de eeuw. De zalen met schilderkunst worden afgewisseld met zalen met tekeningen en grafiek. En vooral hier is te volgen hoe de Venetianen bezig zijn geweest met een nieuwe thema: het landschap. Vooral bij Giorgione is te zien hoe hij menselijke figuren en het landschap organisch in elkaar liet opgaan. Het landschap is niet langer een decor, een achtergrond voor een actie, voor een madonna met kind, voor een pastorale scène, zoals dat bij zijn leermeester Giovanni Bellini het geval was geweest.

Giorgone was de beste leerling van Giovanni Bellini. Hij stierf in 1510, ongeveer 33 jaar oud. Een jaar later vertrok een andere veelbelovende Bellini-leerling, Sebastiano del Piombo, naar Rome. Ook enkele andere veelgevraagde schilders stierven in de eerste twee decennia van deze eeuw. Waar moesten de opdrachten nu heen? Wie schilderde nu portretten van de elite van de stad, de altaarstukken voor de kloosters en kerken, de fresco's voor de koopmanskantoren en de palazzi? Die kans werd nu Titiaan in de schoot geworpen.

Ernstig

De Venetiaanse schilderkunst van de zestiende eeuw is na Bellini en Giorgione allerminst licht en luchtig. Wat in Rome en Toscane wel aanwezig was, transparantie, sierlijkheid, gratie, ontbreekt. De lichamen zijn vol, zwaar en aards, de personages ernstig, zelfs tijdens een ontspannend bedoeld herderlijk tafereel of tijdens een muziekuitvoering. Het koloriet, bij Bellini en Gorgione nog warm en gloeiend, wordt gedempt en monochroom van karakter. De sfeer is veel meer verwant met de noordelijke traditie, met de schilders uit Zuid-Duitsland en Vlaanderen, dan met die van het zuiden. Venetië onderhield directe handelscontacten met Neurenberg en Augsburg waar schilders als Cranach en Dürer werkten en met de Vlaamse steden. Dürer bezocht Venetië tweemaal en kreeg daar opdrachten. Er circuleerden daar ook schilderijen van Jeroen Bosch.

Schilderijen werden in ateliers gemaakt, maar terwijl de Romeinse en Florentijnse schilders heel goed de illusie van de open lucht overbrachten, is dat in Venetië zelden het geval. Er zweemt altijd een zekere duisternis door deze schilderijen. Het is niet zozeer "nacht', als wel "binnen'. De achtergronden zijn diffuus donker. Het beste is dat nog te vergelijken met een beeld dat men zelf oproept met gesloten ogen, of nog beter: in totale duisternis. Dan doemen er figuren op, zelfs behoorlijk gedetailleerd, in kleur, maar niet scherp omlijnd. Men ziet ze en toch is het donker. Maar waar het licht nu precies vandaan komt en hoe ver dit persoonlijk universum zich uitstrekt blijft onduidelijk.

Vaak wordt het typische effect dat de Venetianen bereikten omschreven als een soort mist, een nevel. Dat is des te verleidelijker bij de achttiende-eeuwse vedutes die de open lucht, de stad aan het water tot onderwerp hebben. En misschien schilderde men onscherp omdat de werkelijkheid onscherp was, het is daar aan het water altijd een beetje heiig. Maar met een portret lag dat toch anders. Dat nevelige hangt er naar mijn gevoel ook niet zozeer voor, maar het schemert erdoorheen. Dat geldt voor de grote altaarstukken en de vele Venusfiguren, volumineuze vrouwenlichamen waar de Venetianen het patent op hadden, evenzeer als voor de portretten.

Manchet

Titiaan heeft decennia lang zijn opdrachtgevers tevreden gesteld. Er zijn zo'n honderd portretten van hem bewaard gebleven en daardoor heeft hij het beeld van vele zestiende-eeuwse protagonisten op politiek, militair en intellectueel gebied vastgelegd. Karel V te paard, de slanke Philips II, een reeks Venetiaanse dogen, de sluwe paus Paulus III, de scherpe kop van Pietro Bembo, koning Frans I van Frankrijk, de Turkse sultan Suleiman de Grote, iedereen die zich met deze periode bezighoudt ziet deze personen onvermijdelijk door de ogen van Titiaan. Hij combineerde dan ook een aantal elementen, van formele en psychologische aard, die in Italië nog niet eerder bijeen waren gebracht. De portretten zijn altijd vanzelfsprekend en eenvoudig van compositie. Er is niets gemaniëreerds aan. De achtergrond is egaal monochroom. Het koloriet heeft een donkere grondtoon, de kleuren zijn evenwichtig verwerkt. De voorgestelden zijn doorgaans donker gekleed, waarbij een stukje overhemd of manchet oplicht. Er zijn weinig attributen. De persoonlijkheid komt dan ook vooral voort uit het gelaat en de houding en niet uit allerlei bijwerk. Vrouwen hebben doorgaans kleuriger, meer uitgewerkte kleding en meer versierselen, misschien omdat hij niet zo goed raad wist met het vrouwenhoofd.

Titiaan schilderde realistische portretten, dat wil zeggen hij zal wel geflatteerd hebben en eens een pukkel, een vlek of een uitstaand oor hebben verdoezeld, maar het zijn geen geïdealiseerde hoofden, zoals die wel in zijn mythologische taferelen voorkomen. Men is geneigd de portretten ook psychologisch te duiden, maar dit blijven projecties. Wat wel kan is speculeren over de eigenschappen die de geportretterde graag uitgebeeld zag. Dan komen we op eigenschappen als vastberadenheid en moed. Zo'n Francesco della Rovere, hertog van Urbino, heeft zich duidelijk laten vereeuwigen als een onverzettelijke krijgsman met wie niet viel te spotten. Even ongenaakbaar als zijn zwarte glimmende harnas. Uit een gedicht van Titiaans literaire propagandist Pietro Aretino op een portret van Eleanora de Gonzaga blijkt hoe een tijdgenoot hier tegenaan keek. Het gedicht beschrijft alle deugden die uit dit portret spreken. De eenheid van kleuren die Titiaans penseel heeft aangebracht drukt Eleanora's harmonie uit. Bescheidenheid en rechtschapenheid blijken uit haar kleding; eerbaarheid en schoonheid (eeuwige vijanden) treden overal naar voren.

Titiaans stijl werd in de loop der jaren vrijer, zelfs woester. Hij ging niet alleen tekeer met zijn penselen, maar ook met zijn vingers. Zijn snelle losse hand duidde meer aan dan dat er nauwkeurige details werden weergegeven. De thematiek werd dramatischer. Zo schilderde hij de heilige Margarita die ontsnapt aan de als draak vermomde Satan. Op de achtergrond brandt een stad. Van dichtbij zijn het louter rauwe vegen. Maar van veraf gezien staat Venetië in brand. Of neem Judith en het hoofd van Holophernes. Judith is sereen geschilderd, een edel gelaat, hoe kan het anders. Het afgehouwen hoofd van Holophernes daarentegen is een chaotische smeerboel. Of de executie van Marsyas, de meest gruwelijk voorstelling uit deze late periode. Terwijl een van de omstanders, vermoedelijk Apollo, vrolijk op de vedel speelt, wordt de ondersteboven aan een tak opgehangen sater Marsyas levend gevild.

Twist

Wat een wrede schilderijen. Weerspiegelen ze Titiaans innerlijk gemoed? Het is bekend dat zijn persoonlijk leven een aantal zware slagen te verduren kreeg. Vrienden stierven, in zijn familieleven heerste twist en tweedracht, een dochter overleed. De politieke en militaire situatie was voor Venetië bedreigend. De Turken rukten op. Het lijkt erop alsof deze chaotische tijden Titiaan er toe bewogen gruwelijker onderwerpen te kiezen en ze ook rauwer te schilderen. Voorbij waren de jaren waarin Bellini zijn warme kleuren in harmonieuze taferelen legde. En ook dat laatste zelfportret kan men duiden als het portret van een ziener, die weg kijkt van de schilder, het atelier uit, naar iets in de verte wat weinig goeds belooft. Wat wilde hij dat wij van hem dachten? Wat wilde hij dat wij denken dat hij dacht? Aan zijn eigen dood? Aan de dreigende ondergang van Venetië? Of aan de vergankelijkheid van de roem, met welk besef je het ook niet meer nodig vindt een keizerlijke ketting ordelijke om de hals te dragen?