Nog even wachten op Paasei uit Oost-Europa

AMSTERDAM, 26 MAART. Eet Nederland over tien jaar met Pasen chocolade-eitjes uit Polen? Strooien we over een jaar of wat hagelslag van Oostduitse makelij op onze boterham? En nuttigen Sinterklaas-minnende landgenoten binnenkort chocoladeletters uit Rusland?

Zo'n vaart zal het waarschijnlijk niet lopen, maar dat de cacaosector in Oost-Europa sinds de val van de Muur pogingen lijkt te ondernemen om haar vooraanstaande positie van vóór de Tweede Wereldoorlog te heroveren, baart de op- en overslagbedrijven in Amsterdam toch enige zorg. Immers, de positie van de hoofdstad als 's werelds belangrijkste cacaohaven is in het geding.

“Oost-Europa is nu nog maar een concurrentje en op dit moment niet echt bedreigend”, zegt M.G. Versteeg van Cornelder's Controle- en Veembedrijf. “Maar de steeds sterker wordende positie van havens als Rostock (Oost-Duitsland) en Stettin (Polen) en de enorme investeringen in de cacaoverwerkende sector daar zijn wel een signaal. Als je dat niet oppikt, loop je risico en kunnen deze steden binnen vijf jaar uitgroeien tot serieuze concurrenten.”

Ook Handelsveem, een ander belangrijk cacao-opslagbedrijf in Amsterdam, heeft "geruchten' vernomen over de groeiende rol van havens als Rostock en Hamburg. Het bedrijf maakt zich nog geen zorgen, maar schat dat de Oostduitse havenstad over 2 à 3 jaar belangrijk wordt. Voerde Amsterdam traditiegetrouw bonen door naar de cacaoverwerkende industrie in en rond Berlijn, sinds een jaar neemt Rostock een deel daarvan voor zijn rekening. Cijfers over verminderde aanvoer houdt Handelsveem liever geheim. “Voorlopig kampen we door de overschotten toch met plaatsgebrek”, doet de woordvoerder luchtig.

De cijfers van de Internationale Cacao Organisatie (ICCO) over de Oosteuropese cacao-industrie zijn nogal incompleet en tegenstrijdig. Zo is de vermaling van cacaobonen in de voormalige Sovjet-Unie gestegen van 14.000 ton per in het eerste kwartaal van 1991 tot 32.600 ton medio vorig jaar. De import van cacaoboter (een halffabrikaat) kelderde daarentegen van 650 ton in het vierde kwartaal van 1990 naar 160 ton begin 1992. In Polen en Tsjechoslowakije steeg de import van cacaoboter, in Hongarije nam de import van cacaomassa (ook een halffabrikaat) de afgelopen twee jaar weer een grote vlucht, nadat deze geheel was ingestort na de "omwenteling'. Ter vergelijking: Nederland verwerkt jaarlijks zo'n 300.000 ton bonen.

De Nederlandse cacaoverwerkers en chocoladeproducenten intussen blijven ijzig kalm onder de ontwikkelingen in het oosten. Van Russische chocoladeletters of Bulgaarse chocopasta valt in de verste verte niets te bespeuren op de Nederlandse markt. “De cacao die ze daar verwerken is voor eigen gebruik”, legt J. van Sluisveld, namens Nederland betrokken bij de cacao-onderhandelingen, uit. “Voordat ze een bedreiging voor ons vormen, moet er nog héél wat veranderen...”

Pag.12: Nederlandse cacaosector blij met terugkeer Oosteuropese chocolade

Het cacaoverwerkend bedrijf Gerkens in Wormer is zelfs blij met de extra activiteit in Oost-Europa. “Dat betekent een grotere afzetmarkt voor onze produkten”, zegt woordvoerder J. Rietveld. Een andere positieve bijkomstigheid is volgens hem dat Oost-Europa meehelpt aan het wegwerken van de voorraden. Bang voor een vloedgolf van Oosteuropese produkten op de Nederlandse markt is hij niet. “Aan onze kwaliteit kunnen ze toch niet tippen.” Rietveld kan zich de angst van de havenbedrijven wel voorstellen: “Als Oost-Europa meer gaat verwerken, zal er meer cacao rechtstreeks naar dat gebied worden vervoerd en kan Amsterdam terrein verliezen.” De campagne die de gemeente Amsterdam onlangs voerde via de hoofdstedelijke muppi's en billboards om haar haven te promoten, lijkt de cacaosector dan ook op het lijf geschreven. Want als steden in Polen en Oost-Duitsland zich verder ontwikkelen tot cacaohavens, zou Amsterdam op den duur een derde van de aanvoer (vorig jaar 400.000 ton) kwijt kunnen raken, zo vreest Versteeg van Cornelder. Met alle gevolgen vandien voor de werkgelegenheid van de ruim duizend mensen die in de cacaohaven werken. Investeren en keihard werken, is het enige antwoord dat Versteeg op de Oosteuropese uitdaging kan verzinnen. “In Amsterdam denken we te vaak dat we wel de grootste zullen blijven en dat is verkeerd.”

Versteeg kan het weten, want zijn bedrijf is een grootheid in de Nederlandse cacaowereld: ruim de helft van de aanvoer, opslag en overslag in de Amsterdamse haven loopt via Cornelder. Bovendien "past' het bedrijf op 50.000 van de 250.000 ton cacao-overschotten van de Internationale Cacao Organisatie, die door de jarenlange overproduktie niet meer weet waar het de voorraden moet laten. In de gigantische vemen (loodsen) in het westelijk havengebied liggen sommige balen al meer dan tien jaar te wachten op verwerking tot paasei, Droste-flikje of, wat eenvoudiger, cacaoboter.

Maar de cacaosector hangen meer onzekerheden boven het hoofd. Als er eind september geen overeenkomst is tussen de cacaoproducerende en -consumerende landen over produktiebeperking, zal de gehele voorraad van de ICCO in fasen op de markt worden gebracht. En dan wordt het leeg in Amsterdam. De ICCO verkeert al geruime tijd in problemen. Doordat de arme producentenlanden (veelal in Latijns Amerika en West-Afrika) hun heffingen niet kunnen betalen, heeft de ICCO geen geld meer om voorraden op te kopen en zo de prijs nog enigszins op peil te houden.

Drie jaar geleden werd de internationale cacao-overeenkomst, bedoeld om aanbod en vraag te reguleren, wegens hevig falen buiten werking gesteld. Producenten en consumenten hebben nog een half jaar om tot nieuwe afspraken te komen, maar de vooruitzichten zijn somber. Deze maand wezen de consumentenlanden het zogenoemde "terughoudingssysteem', waarbij producenten zelf voorraden aanleggen om de toevoer tot de wereldmarkt te beperken, af. Men kon het niet eens worden over de financiering van het systeem en produktieniveau waarop de ICCO moet besluiten het systeem in werking te stellen. Bovendien passen de consumentenlanden liever zelf op de cacao-voorraden, licht Versteeg toe. “De politieke en economische risico's zijn in het Westen nu eenmaal kleiner dan in West-Afrika of Zuid-Amerika. Ook de kwaliteitbeheersing is hier beter.”

Een ander prijsregulerend systeem, het exportquota-systeem, verdween al eerder tijdens de cacao-onderhandelingen van tafel. De consumenten waren bang dat quota zouden leiden tot dumping. Van een natuurlijke oplossing - de laatste twee jaar is de vraag groter dan de produktie, waardoor de voorraden licht geslonken zijn - verwacht Versteeg niets. Zijn uitleg is simpel: “Het tekort is niet zo groot dat je in afzienbare tijd de ICCO-voorraad van 233.000 ton wegwerkt.”

Versteeg geeft eerlijk toe dat hij als zakenman wel vaart bij de overproduktie en de grote voorraden. De vemen zitten redelijk vol en de aanvoer is groot. Economisch bezien zou hij de cacao-overeenkomst echter het liefst definitief afschaffen om vraag en aanbod weer vrij spel te geven. “Zonder overeenkomst en de bijbehorende subsidie zal de cacao-produktie naar mijn mening binnen enkele jaren dalen tot normale proporties.” Als Versteeg het in zijn eentje voor het zeggen had op de cacaomarkt zou hij “rücksichtlos snijden in de produktie. Dat doet Volkswagen ook als ze hun auto's niet kwijt kunnen. Eerst in de aanbieding en daarna schrappen. Dat is de gezondste oplossing voor de markt.” Dat niemand tot nu toe die stap heeft durven zetten, wijt hij aan "de politiek': “Je kunt niet aan de ene kant van Afrika Somalië aan voedsel helpen en aan de andere kant van Afrika de cacaoboeren laten stikken. Want wat is hun alternatief? Koffiebonen leveren ook niks op.”

Versteeg is niet de enige die de afloop van de cacao-onderhandelingen somber inziet. Ook de secretaris van Nederlandse Cacao en Cacaoproducten Vereniging, Th. van der Waerden, ziet het meeste heil in liquidatie van de ICCO-voorraad. “Het zal de prijs aanvankelijk drukken, maar deze bui hangt nu al jaren boven de markt, we moeten maar eens door de zure appel heen.”

Of met de voorraden ook de problemen verdwijnen, is de vraag. Producenten en consumenten zijn dan afhankelijk van onderlinge produktie-afspraken. Gezien het feit dat Ivoorkust, de belangrijkste producent ter wereld, de produktie de afgelopen tien jaar heeft verdubbeld en Indonesië bijna acht maal zoveel cacao produceert als tien jaar geleden, biedt ook dit perspectief - meer produktie en nog lagere prijzen - weinig hoop. Behalve dan voor de arme hagelslagproducenten in Oost-Europa.