Net mensen, he; Roman van Mudrooroo over de aborigines

Mudrooroo: Hoe het einde van de wereld te verdragen: een recept van dokter Wooreddy. Vertaald door Regina Willemse. Uitg. In de Knipscheer, 255 blz. Prijs ƒ 39,50.

Wie een heel nieuwe wereld wil ontdekken, mag de boeken van Mudrooroo niet missen. Hij schrijft al een kleine dertig jaar en geldt als de voorman van de aboriginal schrijvers in Australië. Het heeft lang geduurd voordat zijn werk in het Westen werd opgemerkt, maar nu begint het er toch van te komen. Een veelschrijver is hij zeker niet. Het boek dat nu als eerste in het Nederlands is vertaald, is zijn derde roman. Verder heeft hij een cyclus gedichten op zijn naam, een filmscript dat nooit verfilmd is en een boek over de literatuur van de aborigines onder de veelzeggende titel Writing from the fringe (1990).

Dokter Wooreddy is een aborigine die geboren is op Bruny, een eiland voor de kust van Tasmanië. Als hij in 1804 de eerste blanken ziet landen en meemaakt dat een aboriginal meisje op het strand door vier van hen verkracht wordt, heeft hij het gevoel dat het eind van de wereld in zicht is en dat heden en verleden van elkaar losgescheurd worden. Hij keert zijn eiland de rug toe, zwerft jarenlang rond en gaat ten slotte met zijn tweede vrouw Trugernanna, het meisje dat hij op het strand had gezien, naar Tasmanië, waar de situatie nog erger is dan alles wat hij bij zijn omzwervingen is tegengekomen.

Nergens in Australië hebben de blanken zo huisgehouden als onder de aborigines van Tasmanië. In 1831 werd door de militairen en kolonisten een klopjacht op hen ingezet waarbij het grootste deel uitgemoord werd. De overlevenden trokken zich in kleine groepjes terug op afgelegen gebieden waar ze volledig ontworteld raakten, verkommerden en bezweken aan tbc. Een jaar eerder was er op het eiland een merkwaardige figuur verschenen die het zich in zijn hoofd had gezet de grote bemiddelaar te worden tussen wit en zwart. Hij heette George Augustus Robinson en voordat hij emigreerde was hij in Engeland metselaar geweest. Hij wilde hogerop en hengelde onafgebroken bij de gouverneur naar een benoeming als beschermer van de inheemse bevolking. Na veel gezeur kreeg hij toestemming om zich Rijksvoogd van de aborigines te noemen. Hij kwam in contact met Wooreddy en Trugernanna, wist hun vertrouwen te winnen en gebruikte hen om de overgebleven aborigines op te sporen.

Onvermoeid trok hij rond door Tasmanië waarbij hij de aborigines gouden bergen beloofde: een eigen grondgebied waar ze met rust gelaten zouden worden, voedsel, onderdak en kleren die ze helemaal niet wilden hebben. Op die manier verzamelde hij een groepje aborigines om zich heen die hij, trots en zelfvoldaan als hij was, als getemde wilden door Hobart liet paraderen.

Zowel Robinson als Wooreddy en Trugernanna zijn historische figuren die in allerlei bronnen voorkomen, onder andere in Robert Hughes' The fatal shore (1987), de gruwelijke geschiedenis van de dwangarbeiders in Australië. In de roman van Mudrooroo staat dit drietal centraal. Eerst is Wooreddy, de rustige, scherpzinnige maar machteloze aborigine, de hoofdpersoon. Het leven van de aborigines wordt door zijn ogen gezien. Als hij opgroeit is dat leven al verstoord door de blanken die hun vrouwen weghalen en die kunnen doden met de bliksem die uit een stok komt. Wooreddy krijgt dan het gevoel dat "zijn voeten schrokken van de aarde die hen ooit tot steun was geweest.' Zijn eerste vrouw sterft aan de hoest-demon en dan laat hij zijn oog op Trugernanna vallen. Hun hofmakerij is voor Modrooroo een soort tragikomedie. Trugernanna's stam is al uit elkaar gevallen en ze heeft nooit seksuele instructie gehad van oudere aboriginal vrouwen. Ze is alleen met blanken geweest die haar met of zonder haar toestemming namen en die altijd gehaast waren. Ze is stomverbaasd over de vele bewegingen die Wooreddy maakt, en hij, van zijn kant, ziet de door de wol geverfde negentienjarige als zeer onervaren.

Naarmate Wooreddy ouder en treuriger wordt, valt er steeds meer nadruk op Robinson. Mudrooroo heeft een prachtige figuur van hem gemaakt. Hij is naëf en buitengewoon godvrezend, en tegelijk zeer eerzuchtig en hebzuchtig. De aborigines accepteren hem omdat hij niet schiet en wil helpen, maar ze moeten erg lachen om zijn roze kleur, zijn dikke buik, zijn afschuw van naaktheid en zijn afgrijselijke accent als hij hen in hun eigen taal wil bekeren met eindeloze verhalen over een god die zij niet kennen. Een karikatuur wordt hij niet en de ironie van Mudrooroo ontaardt nooit in sarcasme. Daardoor is Robinson een figuur die niet eenvoudig weggelachen kan worden maar die functioneert als een metafoor voor het misverstand dat er bestaat tussen wit en zwart en dat veroorzaakt wordt door angst, onkunde en onbegrip. Dat wordt treffend gedemonstreerd in een scènetje waarin een paar soldaten naar een groepje aborigines staan te kijken. Een van hen zegt: “Het zijn net mensen, hè”, wat een onverwacht perspectief krijgt als we horen dat de aborigines over zichzelf spreken als "de mensen' en voor de blanken het woord geesten gebruiken. Geen wonder dat er van de grandioze plannen van de onnozele hals Robinson niets maar dan ook niets terechtkwam.

Mudrooroo's boek eindigt met de dood van Wooreddy als een weerloze, willoze oude man. Zonder ooit te schermen met symbolen, zonder ook het verhaal te overladen met aboriginal mythen en riten, heeft Mudrooroo de hele tragiek van de aborigines in hem samengevat: de vervolging, de verdrijving uit de overgeërfde gebieden, de vernietiging van de heilige plaatsen, wat alles met elkaar leidde tot de totale ontwrichting van het sociale verband. Door het boeiende onderwerp, de subtiele karakterisering van de figuren, de heldere opbouw en de beeldende stijl die nooit ostentatief wordt, is Mudrooroo's boek een in alle opzichten voortreffelijke roman.

Nog voor de dood van Wooreddy is Robinson verdwenen naar zijn huis op een ander eiland. Trugernanna blijft alleen achter, gebroken door het verlies van haar man. Haar romanleven is dan ten einde maar in de werkelijkheid heeft ze nog vele jaren geleefd. De blanken zagen haar als een bezienswaardigheid en noemden haar zelfs "de koningin van de aborigines'. Robert Hughes daarentegen ziet haar als "de aartsverraadster van haar ras.' Ze stierf in 1876 en een paar jaar later werd ze opgegraven en opgezet. Tot 1947 stond ze ten toon in een glazen kast in het museum in Hobart, tot men het te gek vond worden en haar naar de kelder verbande. Pas in 1976, honderd jaar na haar dood, werd ze gecremeerd.