Nat

De avond viel en bij het krijten van een uiltje begon het te regenen. De wind raakte vermengd met de geur van stoffig zand dat vochtig wordt.

We liepen in het lauwe donker door de uiterwaard. Gebruikten onze ogen goed en waren zeer bedacht op onze voeten. Overal padden.

Van alle kanten stroomden ze toe, als mensen bij de bevrijding. Een sfeer van blij ontwaken, stil applaus, van lang leve de nattigheid en pluk de nacht. Je hebt maanden onder de grond gezeten, je hebt geleefd als modder, je was door iedereen vergeten, je was welhaast jezelf vergeten - dan maakt zo'n avond opgetogen, roekeloos.

Vijfentachtig padden werden door ons opgeraapt en daar waren nog maar twee vrouwtjes bij. Mannen dus, mannen op de uitkijk, plompverloren op de weg. Een makkelijk uitgezakt achterwerk bij zo hoog mogelijk opgerichte voorpoten, veel vertoon van spierballen. Ze hébben iets met wegdek, padden. Als je zo dicht op de aarde zit, verschaft een wegdek onweerstaanbaar overzicht.

Wilbert nam de padden in zijn ene hand, een schuifmaat in de andere. Hij mat de lengte, snuit tot stuit. En uit het beestje kwam een diep gesmoord gekwaak. Dit geluid maakt een mannetjespad die wordt gepakt door een mannetjespad. Mijnheer, geeft hij beleefd te kennen, u moet een ander hebben.