Mijn idee

Van wat van een ander is, moet je afblijven - kleuters weten dat al. Wegnemen wat niet jouw eigendom is, is bijna altijd onrechtmatig. In veel gevallen is het zelfs strafbaar - een vrij ernstig misdrijf.

Zo is de regel voor andermans eigendom. Maar zo is het bepaald niet als het om andermans "geestelijke' eigendom gaat. "Pikken' wat een ander heeft bedacht, ontwikkeld of gemaakt is lang niet altijd onrechtmatig, en maar zelden strafbaar.

Op dit gebied van het recht staan de belangen scherp tegenover elkaar. Aan de ene kant staat het belang van het vrije ondernemerschap en de vrije concurrentie. Aan die kant staat ook de gedachte dat het menselijke vernuft en de menselijke vaardigheid onophoudelijk profiteren van, en voortbouwen op wat voorgangers bedacht en gedaan hebben. Aan de andere kant staan de belangen van creativiteit en inventiviteit. Creativiteit en inventiviteit verdienen te worden aangemoedigd, en daarvan zou weinig terechtkomen als anderen dadelijk datgene wat met creativiteit en inventiviteit tot stand was gebracht, zouden mogen overnemen. En aan die andere kant staat ook dat elementaire billijkheidsgevoel: pikken mag niet.

Die met elkaar botsende belangen zijn in de wetgeving en in de rechtspraak telkens weer tegen elkaar afgewogen. Het resultaat is een bonte lappendeken - of liever: een genuanceerd scala van regels - waardoor nu eens vrij van andermans creativiteit mag worden geprofiteerd, en dan weer helemaal niet.

"Echte' uitvindingen die industrieel kunnen worden toegepast kan men door een octrooi beschermen. (Men kan het ook omkeren en zeggen: tenzij ze door een octrooi beschermd zijn, mogen uitvindingen vrij worden gekopieerd). Originele uitingen, waarop de maker zijn persoonlijke stempel heeft gedrukt, worden door auteursrecht beschermd. Maar het auteursrecht beschermt alleen de originele vormgeving, niet de abstracte ideeën die de auteur in zijn schepping verwerkt heeft. Naast het octrooirecht en het auteursrecht zijn er nog een aantal andere wettelijke regelingen en jurisprudentieregels die voor min of meer vergelijkbare scheppingen een beschermingsmogelijkheid bieden. In de meeste gevallen gaat het dan om tijdelijke bescherming.

Wat niet, of niet meer, van dergelijke regels kan profiteren is in beginsel "vrij wild'. Wie dat wil overnemen, nabootsen, kopiëren - desnoods klakkeloos - staat in zijn recht, in beginsel. Maar het valt vaak moeilijk om zich daarbij neer te leggen. Conflicten in het grijze overgangsgebied tussen vrije en beschermde creativiteit komen daarom met een zekere regelmaat voor.

Zo hebben rechters de afgelopen jaren herhaaldelijk moeten oordelen over vorderingen waarbij het ging om "het concept' voor een televisiespelprogramma, of om "de formule' voor een marketingactie. Zulke concepten of formules zijn vaak bijzonder vernuftig. Zij kunnen ook zeer waardevol zijn. Ze hebben veel weg van uitvindingen, maar omdat ze niet voor industriële toepassing bestemd zijn, is een octrooi er niet voor weggelegd. En de andere wettelijke regelingen op dit gebied zijn er ook niet echt op toegesneden.

Natuurlijk beweren de eisers in dergelijke zaken niet eenvoudigweg dat het verboden is hun ideeën te pikken - zo'n stelling zou haaks staan op het zorgvuldig afgewogen stelsel van regels dat uit het hierboven beschreven compromis is voortgevloeid. Zo'n stelling zou dus ook meteen door de mand vallen. Daar passen de advocaten van de eisende partijen dus wel voor op. De weg die meestal wordt gekozen is die van het auteursrecht. De eiser stelt dan dat hij (natuurlijk) geen bescherming inroept voor het loutere idee dat aan zijn schepping ten grondslag ligt, maar dat het gaat om méér dan een idee: om een door uitwerking, vormgeving, detaillering, etcetera gekenmerkt concept, dat het stempel van zijn persoonlijkheid draagt, en dat dus in zoverre kan gelden als een auteursrechtelijk beschermd werk.

Die benadering kan op enige sympathie bij de rechters rekenen. Zij is ook in de rechtsgeleerde literatuur niet onwelwillend ontvangen. Het is echter wel duidelijk dat die benadering het hierboven beschreven compromis flink onder druk zet.

In twee recentelijk gepubliceerde rechterlijke beslissingen ging het om een concept voor een televisiespelprogramma, en om een formule voor een promotionele/verkoopactie. In beide gevallen liet de rechter blijken dat hij auteursrechtelijke bescherming voor een concept of formule met "eigen persoonlijkheid' in beginsel mogelijk achtte. Maar in beide gevallen vond de rechter dat de feiten niet aan de in principe mogelijke geachte beschermingsregel beantwoordden. De vorderingen mislukten dus.

Blijft de vraag of de rechters er goed aan hebben gedaan om toekomstige eisers hoopvol te stemmen door "in principe' de bereidheid te tonen om het aanhaken bij "aangeklede' concepten en formules te verbieden. In de uitspraken op dit gebied lijkt iets door te klinken van onvrede over de uitkomst waartoe het bestaande juridische compromis nu eenmaal leidt. Als die onvrede inderdaad bestaat, is het natuurlijk volkomen legitiem dat de rechter zich daar rekenschap van geeft - zijn taak brengt juist mee dat hij zich voortdurend moet afvragen of zijn beslissingen bevredigend zijn, en waarom dat wel of niet zo wordt ervaren. Maar als de onvrede die de rechter hier misschien gevoeld heeft niet méér was dan een uiting van het onbestemde gevoel "pikken zou toch niet mogen', dan stelt die rechter zich bloot aan het risico met een onzuiver afgestelde weegschaal te wegen. En daar is het recht nu juist niet op uit.