Loeren en beloerd worden; Romandebuut van Nina Bouraoui

Nina Bouraoui: De gluurster. Vertaald door Jan Versteeg. Uitg. De Geus, 127 blz. Prijs ƒ 32,90.

Meer en meer schrijfsters uit de Arabische wereld stellen de positie van de islamitische vrouw in hun werk aan de orde. Vaak neemt dat de vorm aan - bij Assia Djebar bij voorbeeld - van een intelligent en zachtzinnig pleidooi voor bevrijding en eigen verantwoordelijkheid van de vrouw en tegen de "mannelijke verdraaiing' van de Koran.

Een heel andere benadering hanteert de in 1967 uit een Algerijnse vader en Franse moeder geboren Nina Bouraoui in haar debuutroman De gluurster. In een woedende, flamboyante aanklacht, een ware stortvloed van haat, walging en wanhoop, laat ze haar hoofdpersoon, het meisje Fikria, te keer gaan tegen het adagium "een mohammedaanse vrouw verlaat haar huis twee keer: om te trouwen en om begraven te worden'. Fikria wordt vanaf het moment dat ze de puberteit bereikt in haar huis in Algiers opgesloten door haar droefgeestige, kleinburgerlijke ouders en vanuit haar kamer slaat ze de straat en haar familieleden met genadeloze blik gade.

Het strenge en gewelddadige ouderlijk regime wordt vooral ingegeven door gevoelens van onvolwaardigheid: haar moeder heeft behalve drie dochters slechts miskraam op miskraam gebaard, en van haar twee zusjes is de ene achterlijk en de andere ziekelijk en onvruchtbaar. Haar vader is verbitterd en voelt zich geen echte man, want hij heeft geen zoon. Hij moet zich bewijzen door een voorbeeldige opvoeding van zijn enige "normale' dochter - en voorbeeldig is in dit verband met een haat tegen alles wat vrouwelijk, en dus verdorven, vies, minderwaardig en bedreigend is.

De eindeloze verveling, de passieve vrouwenwereld van het "vette, witte, nooit geluchte vlees' waar ze niet aan kan ontsnappen, leiden bij Fikria tot alle symptomen van opgesloten dieren of gevangenen: zelfverminking, hallucinerende fantasieën, orgieën van haat en zelfvernedering. Haar wereld is noodgedwongen verengd tot een seksueel universum, waarin mannen broeierig loeren en vrouwen beloerd worden. Alleen een toeareg dienstmeisje, dat geen gezichtssluier draagt en over de woestijn vertelt, laat haar een glimp van vrijheid en trots opvangen.

Fikria's verslag is als een vloedgolf van barokke beelden en metaforen die ons meesleurt, of we willen of niet, en haar aanklacht, niet zo zeer tegen de islam als wel tegen het misbruik van de islam om persoonlijke frustraties te botvieren en een samenleving te verzieken, is een hartekreet. Nog niet zo lang geleden kregen we van een hele generatie Nederlandse schrijvers soortgelijke vlammende en choquerende aanklachten tegen hun verminkende, streng gereformeerde achtergrond te lezen, maar die scheen de zonen meer dan de dochters te treffen.