Literaire verwijten

Het vermakelijke stuk van Gerrit Jan Zwier over de "recensiepraktijk' van Tom van Deel en de daarbij aansluitende reactie van Maarten 't Hart over de nog altijd werkzame invloed van Toms gereformeerde jeugd (beide stukken verschenen in Maatstaf, respectievelijk juli '92 en februari '93) hebben mij het hemelsbrede verschil weer doen beseffen dat bestaat tussen wetenschap en literatuur, en vooral tussen wetenschappelijke en literaire kritiek.

Er is ook een groot verschil in morele beoordeling en dat verbaast mij nog het meest.

Kunnen binnen een cultuur intellectuele prestaties zo uiteenlopend beoordeeld worden? Ik acht het uitgesloten dat het stuk van Zwier, dat wel enige wetenschappelijke pretentie moet hebben omdat het de tekst is van een gastcollege aan de Universiteit van Groningen, ooit in een wetenschappelijk tijdschrift gepubliceerd zou kunnen worden en ik weet ook wel zeker dat men in Physics Today in een kritiek op Toms ideeën over de deeltjesversneller, niet kan volstaan met een verwijzing naar zijn tijd als jeugdouderling in de Gereformeerde Kerk. In de wetenschap wil men liever geen leuke stukken, want die bevoordelen degene die leuk kan schrijven en dat mag niet.

Maar anders dan men op grond van het bovenstaande misschien zou verwachten, is men in de literaire kritiek veel puriteinser dan in de wetenschappelijke kritiek. Er zijn in de wetenschap veel twistpunten, maar als men daarbij uiteindelijk een duidelijke voorkeur toont, zal men niet gemakkelijk moreel veroordeeld worden omdat die voorkeur in strijd is met de eerlijkheid of goede smaak. Wel kent de wetenschap haar eigen verachtelijke kinderachtigheden, maar een opsomming van karakterfouten, die daaraan eventueel ten grondslag liggen, blijft bij afspraak achterwege.

Tom van Deel is literair criticus bij het dagblad Trouw. Ik lees zijn kritieken nooit, omdat ik Trouw nooit lees. Maar uit het stuk van Gerrit Jan Zwier is duidelijk dat Tom van Deel er een heel eigen opvatting op na houdt over wat goede en wat slechte literatuur is, en bijgevolg wie goede en slechte schrijvers zijn.

Tom van Deel heeft een duidelijke voorkeur voor bepaalde schrijvers en steekt die voorkeur niet onder stoelen of banken. Zijn favoriete schrijvers zijn blijkbaar Krol, Matsier, Brouwers en Brakman. Er zijn ook andere schrijvers die hij goed vindt maar deze vindt hij wel erg goed, zal ik maar zeggen.

Interessant zijn de persoonlijke verwijten, die Zwier aan Van Deel maakt. Die kom je in de wetenschap niet vaak tegen. Ik noem er een paar. “Tom van Deel is een criticus die zeer nauwe banden onderhoudt met de schrijvers die hij waardeert.” Zwier eist niet dat Van Deel ook zeer nauwe banden onderhoudt met de schrijvers die hij niet waardeert, geloof ik, maar eerder dat hij helemaal geen nauwe banden onderhoudt. Het idee is dat die nauwe banden een eerlijk oordeel in de weg staan.

Maar dat vind ik nu juist zo puriteins. Je vraagt van een criticus niet meer dan een beetje aardig onder woorden te brengen waar zijn voorkeur naar uitgaat en waar zijn voorkeur naar uitgaat valt toevallig samen met waar hij van houdt. In de wetenschap is dat heel normaal. Je begunstigt dat onderzoek waarmee je je verwant voelt en met de onderzoekers die dat onderzoek doen, probeer je in contact te komen. Al het andere beschouw je als zinloze tijdverspilling. De minister moedigt die houding aan: laat iedereen maar proberen zijn eigen paradigma zo sterk mogelijk te maken.

Een ander verwijt aan Van Deel is: “Tom van Deel wil graag bevriend zijn met schrijvers die goede boeken schrijven.” Hij zoekt ze zelfs op. Maar waarom zou dat niet mogen. Alweer, dat maakt hem als criticus partijdig. Maar wat is in godsnaam een onpartijdige criticus? Die bestaat niet, net zo min als er een onpartijdige onderzoeker bestaat. Ik ben er nog nooit één tegengekomen. Er zijn altijd voorkeuren, altijd meningsverschillen over relevantie en methode.

Een opvallend verwijt aan Tom van Deel is dat hij in zoveel jury's, commissies en redacties zit. Ook dat is een exclusief literair verwijt. In de wetenschap kun je niet in genoeg commissies, jury's, redacties en besturen van wetenschappelijke genootschappen zitten. Dat is eerlijk gezegd een benauwende eis. Ook achter dit verwijt schuilt de gedachte dat de zuiverheid van het oordeel wordt aangetast. Maar is de zuiverheid van oordeel niet een kinderlijke illusie?

Tom van Deel leest boeken die hij later recenseert ook weleens eerder in manuscript. Dat schijnt al helemaal niet te kunnen. Maar waarom niet? Omdat hij, als hij die boeken later prijst, tevens zich zelf prijst, want hij verbeterde misschien iets aan het manuscript. In de wetenschappelijke kritiek is dat verwijt ondenkbaar. De fysicus Frans Saris wordt bedankt voor zijn kritiek op het boek van J. Goudsblom Vuur en beschaving toen het nog in manuscript was. Later schreef hij er een zeer lovende bespreking van. Heel gewoon. De psycholoog Douwe Draaisma besprak onlangs in Trouw een selectie uit het werk van William James die hij zelf had gemaakt en ingeleid. Niets op tegen. In de wetenschap heb je tegenwoordig net zoveel preprints als reprints en niets staat de criticus van de preprint in de weg om later de reprint uitbundig te prijzen.

Misschien is Tom van Deel een bijzonder lorrig criticus. Zoals gezegd kan ik dat niet beoordelen, omdat ik zijn werk nooit lees. Maar wat me in de literaire polemiek interesseert is dat men zulke hooggestemde ouderwetse normen hanteert, leidend tot een zuiver en evenwichtig oordeel. Misschien komt dat door een slecht geweten: iedereen weet dat hij een gemeen, kwaadaardig maar meesterlijk geschreven stuk prefereert boven een slecht geschreven maar redelijk betoog. Voor dat slechte geweten moet de criticus boeten.