Italiaanse corruptie trof ook de ontwikkelingshulp

ROME, 26 MAART. Het Italiaanse smeergeldschandaal stopt niet aan de landsgrenzen, integendeel. Politici en ondernemers hebben de ontwikkelingshulp jarenlang systematisch misbruikt als een bron voor steekpenningen.

Van alle corruptieaffaires die de afgelopen maanden aan het licht zijn gekomen, is dit relatief de grootste. Bij contracten met de publieke sector in Italië is een percentage smeergeld betaald dat liep van drie tot tien, maximaal vijftien procent. Vermoed wordt dat van de 32 biljoen lire (nu tegen de veertig miljard gulden) die de afgelopen tien jaar zijn uitgegeven door een speciaal fonds voor de Derde wereld, dertig procent bestemd was voor steekpenningen ten behoeve van Italiaanse politici en Italiaanse bedrijven.

Nadat eerder drie technische deskundigen en ondernemers in verband hiermee waren gearresteerd, is gisteren Giuseppe Santoro aangehouden, de voormalige directeur-generaal voor ontwikkelingssamenwerking op het ministerie van buitenlandse zaken. Al een paar weken is duidelijk dat Santoro wordt verdacht door de Romeinse justitie. Vooruitlopend op zijn arrestatie is hij eind vorige maand weggepromoveerd tot ambassadeur bij de Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties, die in Rome zetelt.

Ook ex-minister van buitenlandse zaken Gianni De Michelis wordt verdacht. De Romeinse officier van justitie Vittorio Paraggio, die het onderzoek naar de corruptie in ontwikkelingshulp leidt, zou verder graag willen spreken met een van de tientallen fraaie dames waarmee De Michelis zich omringde, zijn voormalige secretaresse Barbara Ceolin. Maar deze 34-jarige Venezolaanse zag de bui hangen en is sinds een paar dagen onvindbaar.

De Romeinse justitie is een aantal ontwikkelingsprojecten aan het onderzoeken. De aanleg van een snelweg in Bangladesh die absurd duur werd en nooit is afgekomen. De voedselhulp aan Albanië, bedoeld om de vluchtelingenstroom af te kopen. De leverantie van graansilo's van glasfiber aan Somalië en Soedan, die stonden weg te smelten in de zon maar toch gestuurd bleven worden. Een bouwproject in Mozambique, waarbij goedkoop lokaal gekocht materiaal werd gefactureerd tegen Italiaanse prijzen. Een centrum voor geïntegreerde landbouw in hetzelfde land. De aanleg van een elektriciteitscentrale en een waterleidingnet in Cambodja. De bouw van huizen, wegen en ziekenhuizen in Argentinië, een land met een grote groep immigranten uit Italië.

Het schema is inmiddels klassiek geworden: het contract voor een ontwikkelingsproject wordt gegeven aan een Italiaans bedrijf dat zich bereid heeft verklaard steekpenningen te betalen, en als dank daarvoor een exorbitante prijs in rekening mag brengen.

De betalingen gebeurden in de regel buiten Italië: van een buitenlandse bankrekening van het betrokken bedrijf naar een buitenlandse rekening van de corrupte politicus. Soms werd er ook in natura betaald: een luxueuze vakantiereis naar het tropische land, een huis of een villa, een auto.

Belangrijk daarbij was steeds een soort openbare aanbesteding van het werk te voorkomen: alles moet ondershands worden geregeld. Soms is daarbij een beroep gedaan op een noodsituatie, zoals bij de leverantie van voedsel en medicijnen aan Albanië door een bedrijf uit Bari. Andere keren mocht het ontvangende land een voorkeur uitspreken voor het bedrijf dat het project moest uitvoeren - niet onwaarschijnlijk is dat daarbij ook smeergeld is betaald aan de lokale autoriteiten, maar vooralsnog houdt het onderzoek in Italië zich daarmee niet bezig.

Op deze manier is de ontwikkelingshulp een winstgevende economische activiteit geworden. Het systeem had zich zo ver ontwikkeld dat in een aantal gevallen een Italiaans bedrijf een bepaald project kwam aanbieden op het ministerie van buitenlandse zaken, en dat er dan een land bij werd gezocht waar dit politiek gezien verkoopbaar was.

Controle op de manier waarop de gelden voor ontwikkelingssamenwerking worden besteed, bestaat er nauwelijks. De Italiaanse Rekenkamer heeft daar bij herhaling haar beklag over gedaan, maar tevergeefs. Die extra speelruimte is juist gebruikt om de percentages steekpenningen per contract op te schroeven.

De steekpenningen werden, in ieder geval de afgelopen paar jaar, volgens een vaste verdeelsleutel verdeeld onder de partijen, zo heeft een anonieme ambtenaar van Buitenlandse Zaken eerder deze maand aan het weekblad Europeo verteld. De socialisten kregen veertig procent (zij hadden tenslotte de minister), de christen-democraten dertig procent en de rest ging naar de voormalige communistische partij en de kleinere partijen.

Tot nu toe zijn er geen gevallen van corruptie aan het licht gekomen uit de tijd dat ex-premier Giulio Andreotti minister van buitenlandse zaken was, in het kabinet-Craxi midden jaren tachtig. De meeste schandalen betreffen de socialisten. Deze zijn met name in Noord-Afrika en in Somalië actief geweest en hebben vaak gebruik gemaakt van speciale gezanten die, soms tot verbazing en ergernis van de lokale Italiaanse ambassadeurs, op eigen houtje contracten voor ontwikkelingsprojecten regelden. Berucht is de lofrede, uit 1981, van de voormalige socialistische leider Bettino Craxi op “de wijsheid van kameraad Siad” Barre, de voormalige dictator van Somalië.

Uit de Italiaanse pers is een lange lijst samen te stellen van Italiaanse ontwikkelingsprojecten in Somalië, waaraan miljoenen zijn uitgegeven en waarvan iedereen heeft geprofiteerd - het regime, de Italiaanse partijen, de Italiaanse bedrijven, mogelijk een aantal lokale bedrijven - behalve de Somalische bevolking. Een landbouwbedrijf in Afgoi: nooit voltooid. Een leerlooierij, opgezet door de mode-ontwerper Nicola Trussardi, een vriend van Craxi: nooit in werking getreden. Een slachthuis in Mogadishu dat niet goed functioneert. Een suikerfabriek in Johar waar de machines stilstaan. Ziekenhuizen in Corioley en Alula die dicht zijn gebleven. Een nutteloze weg tussen Garoe en Bosaso. Vissersboten die in het niets zijn verdwenen. Een mestfabriek die nooit is geopend.

De Romeinse justitie verdenkt in deze corruptiezaken ook twee voormalige staatssecretarissen van buitenlandse zaken: de christen-democraat Andrea Borruso en de socialist Claudio Lenoci. Ex-directeur-generaal Santoro heeft volgens persberichten alle beschuldigingen tegen hem ontkend. Andere leden van het Italiaanse diplomatieke korps laten via de pers weten dat hij altijd al een buitenstaander was, iemand die zijn carrière vooral aan zijn politieke contacten te danken had. Ook de door hemzelf opgerichte bond voor ambtenaren op Buitenlandse Zaken distantieert zich van Santoro, met de toevoeging dat hij niet de enige schuldige is, dat bij de belangrijkste besluiten alle directeuren-generaal betrokken waren, en dat het systeem van corruptie met de hulp al bestond voordat Santoro aantrad. Deze smeergeldzaak is nog maar net begonnen.