Huize Kranenburgh toont kunstenaars uit Bergen

BERGEN, 26 MAART. Aan de bosrijke Hoflaan in Bergen staat op nummer 26 een statige negentiende-eeuwse villa: Huize Kranenburgh. De tuin, met rond getrimde struiken en een fontein, is omgeploegd. Achter de hoge ramen gapen lege, witgeschilderde kamers en de ingang is alleen door een zandwoestijn te bereiken. Nog een maand, dan staat hier Museum Kranenburgh, een museum voor kunst van Bergense beeldend kunstenaars.

Het nieuwe museum opent voor het publiek op Koninginnedag met een overzichtstentoonstelling van ongeveer tachtig schilderijen en beeldhouwwerken. Het museum is een particulier initiatief en zal voor een groot deel door vrijwilligers in stand worden gehouden. Er is maar één werknemer in vaste dienst: conservator Nicoline Koek. Het museum zal geheel gewijd zijn aan beeldend kunstenaars die deze eeuw in en om het Noordhollandse dorp hebben gewerkt of nog werken. Dat zijn er nogal wat. Bergen kwam aan het begin van deze eeuw op als kunstenaarsdorp. Er vestigden zich kunstenaars als Else Berg, Gerrit van Blaaderen, Arnout Colnot, Leo Gestel en Matthieu en Piet Wiegman, die werden gerekend tot de "Bergense School'. In hun werk zijn invloeden van zowel kubisme als expressionisme terug te vinden. De grootste bloeiperiode kende Bergen van 1910 tot 1940. “Aan die tijd besteden we veel aandacht,” zegt Koek, “maar we willen beslist niet het museum van de Bergense School zijn. Dan zouden andere belangrijke kunstenaars, zoals Charley Toorop en Harry Kuyten die niet tot die school worden gerekend, erbuiten vallen. En we willen juist een overzicht geven van alle hier gemaakte beeldende kunst tot nu toe, dus tot en met Lucebert en Doris Groeneveld die nu in Bergen wonen.”

De stichting Noordhollands Kunstcentrum (NHKC) is in 1982 begonnen met het aanleggen van een vaste collectie. Koek: “Er was geen groot startkapitaal zoals bijvoorbeeld bij de Stichting De Pont in Tilburg of Singer in Laren. De initiatiefnemers zijn met grote bevlogenheid begonnen sponsors te benaderen en werken bij elkaar te brengen om een representatief beeld te kunnen geven van wat er in deze eeuw is gemaakt.”

Uit legaten, schenkingen en aankopen is een collectie opgebouwd van schilderijen, grafiek en beeldhouwwerken. Daarnaast kan worden geput uit aankopen van de gemeente Bergen. In totaal staan het museum zo'n 350 werken ter beschikking, die zullen worden aangevuld met bruiklenen. “Dagelijks komen telefoontjes binnen van mensen die iets in bruikleen of als schenking aanbieden,” aldus Koek. “soms staan ze zelfs met een schilderij op de stoep. We beperken ons overigens wel tot kunstwerken met een museale kwaliteit.”

Het nieuwe museum heeft een exploitatiebudget van bijna 300.000 gulden. Vier hoofdsponsors hebben voor een periode van drie jaar steun toegezegd: de Hoogovensgroep, het Bouwfonds Nederlandse Gemeenten, Zwitserleven, en Coopers & Lybrand/Dijker Van Dien. Maar ook vele kleinere sponsors dragen een steentje bij. Het exploitatiebudget is net genoeg om rond te komen, maar te klein om nieuwe werken te kopen. De bestaande collectie vertoont hiaten die het museum graag zou aanvullen. Charley Toorop bijvoorbeeld is niet voldoende vertegenwoordigd evenals Gerrit van Blaaderen, Else Berg en Piet Wiegman.

Om geld voor aankopen bijeen te brengen is de stichting Vrienden van Museum Kranenburgh opgericht, en de "Club Kranenburgh' waarvan mensen uit onder andere het bedrijfsleven lid kunnen worden en in ruil voor hun bijdrage van enkele faciliteiten van het museum gebruik mogen maken. De commercie, benadrukt Koek, zal echter nooit invloed mogen uitoefenen op het tentoonstellingsbeleid, “anders zat ik hier niet”.

Huize Kranenburgh is in 1882 gebouwd en diende als ambtswoning van de toenmalige burgemeester Jacob van Reenen. Later zaten er de culturele raad voor Noord-Holland in, de muziekschool, een reeks krakers en de laatste twintig jaar "als oppasser' de kunstenares Ans Wortel, die zich in 1990 tot voor de rechter ("ze zullen me schilderend naar buiten moeten dragen') heeft verzet tegen haar uitzetting. Het pand is eigendom van de gemeente die voor de renovatie en de nieuwbouw heeft gezorgd en het nu om niet ter beschikking stelt van de stichting. Om de renovatie te financieren heeft de gemeente enkele kavels verkocht van de grote bostuin, een ontwerp van de tuinarchitect Singer.

Het gebouw is geschikt gemaakt als museum, maar daarbij is het oorspronkelijke karakter zo veel mogelijk gehandhaafd. De meeste kamers zijn intact gelaten. Op de eerste twee etages zijn zeven vertrekken als expositieruimte ingericht. In de vroegere badkamer komt het prentenkabinet. De bovenste verdieping is bestemd als kantoor- en depotruimte. Aan de achterkant is een nieuwe vleugel aangebouwd voor tijdelijke exposities, maar, aldus Koek, “het is niet de bedoeling dat wij gaan concurreren met het Kunstenaarscentrum Bergen, waar veel kunstenaars uit de omgeving exposeren”. Een ruime hal biedt gelegenheid om koffie te drinken en zal ook ter beschikking staan van de sponsors, die er op veilige afstand van de schilderijen ontvangsten kunnen houden. In de tuin, die verwilderd was, maar weer in de oude stijl wordt hersteld, zullen beeldhouwwerken worden geplaatst. Bij de opening zal er een moderne sculptuur van de Bergense kunstenaar Nico van Straalen worden onthuld.

Tachtig vrijwilligers hebben zich aangemeld om het museum draaiend te houden. Zij verzorgen bibliotheek, publiciteit, administratie, tuin, en treden op als suppoost of als gastheer of -vrouw. Het museum is vrij toegankelijk voor houders van een museumjaarkaart, voor anderen geldt een entreeprijs van vier gulden. “De belangstelling voor het museum is groot,” vertelt Koek. “Vooral de periode 1910-40 spreekt veel mensen aan. De doeken uit die tijd zijn met veel schildersplezier gemaakt, dat zie je eraan af. Bovendien wonen hier nog veel familieleden van de kunstenaars, of mensen die de schilders nog hebben gekend.”

Het museum ziet het ook als taak de literatuur over de Bergense kunstenaars uit te breiden. Koek: “Over de Bergense School zijn maar twee boeken geschreven, een van Adriaan Venema en een uit 1943 van D.A. Klomp, die geen van beide meer te krijgen zijn. Wij hebben geen geld voor ambitieuze catalogi, maar willen wel iets toevoegen aan de beperkte literatuur in de vorm van bescheiden publicaties.”