Het verleden vreet zich een weg naar mij toe; Helga Ruebsamen in Berlijn en aan de Amstel

“Het Berlijn waarmee ik ben grootgebracht, was een centrum van de wereld, een centrum van weldenkendheid. Dat is daarna allemaal vermorzeld, en het is nooit meer goed gekomen.” Helga Ruebsamen, die verhalen schrijft met een vooroorlogse sfeer van veel drank en vergane glorie, bezocht dit jaar voor het eerst Berlijn, de stad waar haar vader in de jaren twintig de tijd van zijn leven had.

Van Helga Ruebsamen zijn nog leverbaar: Op Scheveningen, Olijfje en andere verhalen, en De dansende kater. Uitg. Querido, ƒ 29,90.

Helga Ruebsamen: "Als ik schrijf, doe ik hetzelfde als een toneelspeler. Ik probeer in mijn personages te veranderen. Toen ik mijn verhaal "Op Scheveningen' schreef, was ik Koos, en Cootje. Een van de weinige charmes van het schrijverschap is voor mij, dat het me in staat stelt andere levens te leiden.'

In het noorden van de villawijk Pankow, in het vroegere Oost-Berlijn, bevindt zich sinds ruim een jaar een nieuw literair centrum. Schrijvers uit Oost en West houden hier op gezette tijden lezingen. Vorige maand was het de beurt aan twee Nederlandse schrijvers. Op uitnodiging van de jonge Berlijnse uitgeverij Twenne Verlag lazen Helga Ruebsamen en Huub Beurskens voor uit hun net in het Duits vertaalde boeken Auf Scheveningen en Das Verlöbnis (De verloving).

De zaal is redelijk gevuld. Veel aanwezigen zijn studenten of ex-studenten van de vakgroep Nederlands aan de Freie Universität. Samen met de beide schrijvers, een vertaler en de uitgevers proberen ze uit te vinden wat het verschil is tussen de Nederlandse en Duitse literatuur. Zijn de Duitse schrijvers te veel onder de indruk van hun illustere voorgangers zodat ze geen luchtige literatuur meer kunnen maken, zoals de Nederlanders? Is de Duitse taal te star en te gereglementeerd? Of kent de Nederlandse literatuur andere vertelmechanismen dan de Duitse?

Vooral de verteltechniek van Helga Ruebsamen oogst bewondering. Ze heeft uit het titelverhaal van Op Scheveningen voorgelezen en de gespreksleider van de avond wil weten hoe ze aan haar losse, levendige stijl komt. Het leidt tot een eindeloze spraakverwarring. Een van de aanwezigen oppert dat de Duitsers zich op grond van hun verleden misschien verplicht voelen om in hun boeken altijd wat mee te delen. Nederlanders durven meer verhalend te werk te gaan. Nu door het wegvallen van de ideologieën niemand in Duitsland meer wat te zeggen heeft, zou de Nederlandse literatuur misschien een uitweg kunnen bieden. De Duitse literatuur is in een impasse beland. Er zijn geen oplossingen meer, alleen nog maar vragen.

Aan Helga Ruebsamen zelf zijn de meeste opmerkingen niet besteed. Ze vindt ze te diep graven. Te Duits ook misschien. Ze kan zich niet goed in de vragenstellers verplaatsen. Voor haar is het nergens voor nodig om naar het nationale karakter van schrijvers te kijken: “Alle grote literatuur is internationaal.” Ze luistert genteresseerd hoe haar Duitse vertaler de aan haar gerichte vragen beantwoordt, maar voelt niet de behoefte er veel aan toe te voegen.

Lippen

“Het gaat hier ook allemaal zo grondig” zegt Ruebsamen als ik haar de volgende dag in het Berlijnse café Möhring aan de Kurfürstendamm spreek. “Iedereen bereidt zo'n avond heel goed voor. Het publiek hangt aan je lippen. Bij ons zijn dit soort bijeenkomsten altijd veel meer een zootje.”

Misschien gaf ook het gebouw waar de Literaturwerkstatt Pankow gevestigd is, wel aanleiding voor een gedegen aanpak. Het is een riante villa aan de bosrijke Majakovski Ring. Van 1977 tot 1990 was hier het clubhuis van de Oostduitse schrijversbond gevestigd. In die jaren kwamen hier alleen schrijvers die trouw waren aan het regime. En ook daarvoor was de villa gewijde grond. De eerste DDR-president Otto Grotewohl en zijn vrouw woonden er jaren en kort na de oorlog was het even de woning van de Russische generaal Kotikov.

Aan de Literaturwerkstatt de taak de deuren open te gooien. Voor Helga Ruebsamen is het meteen een duik in het diepe. Het is haar eerste bezoek aan Berlijn. Tot nu toe heeft ze de stad altijd zorgvuldig weten te mijden. Berlijn is voor haar synoniem met een bepaald soort treurigheid waar ze zich ver van heeft willen houden. “De bomen hier zouden alles kunnen vertellen wat er is gebeurd, maar iedereen is blij dat ze het niet doen,” zegt ze.

Het opmerkelijke is dat Berlijn toch allesbehalve een vreemde stad is voor haar. In het Berlijn van Tucholsky, had ze me van te voren al gezegd, kan ik u feilloos rondleiden.

Wat Helga Ruebsamen met Berlijn heeft kan ze drie dagen na haar aankomst nog niet goed onder woorden brengen. Ze is opgegroeid met Berlijn. Het is de stad van haar in 1970 overleden vader. Ze vertelt hoe hij zich hier meteen na de Eerste Wereldoorlog heeft gevestigd, een bemiddelde Duitse jood die op het slagveld in Verdun zijn geheugen was kwijtgeraakt. “Hij had zoveel ellende gezien dat hij voorlopig alleen nog maar leuke dingen wilde doen,” zegt ze. Hij stopte met werken - hij was arts van beroep - en stortte zich vol overtuiging in het Berlijnse uitgaansleven, waar hij al snel bevriend raakte met schrijvers en kunstenaars als Kurt Tucholsky en George Grosz.

Tijdens ons eerste gesprek wordt duidelijk dat dit het Berlijn is dat Ruebsamen in haar herinnering bewaren wil. Ze heeft haar vader uitsluitend gekend als een gedesillusioneerde man, maar zijn aardige jaren moeten die in Berlijn zijn geweest. “Er ging toen naar wat ik heb gehoord een glans van de stad uit. Er heerste een nieuwe, frisse, strijdvaardige mentaliteit. Er werd tegen het militarisme geschreven. Het Duitse nationalisme werd vanuit Berlijn aangevallen. Het Berlijn waarmee ik ben grootgebracht, was een centrum van de wereld, een centrum van weldenkendheid. Dat is daarna allemaal vermorzeld, en het is nooit meer goed gekomen.”

Vergane glorie

Voor Helga Ruebsamen is Berlijn nog altijd een metafoor voor wereldverbetering, vrijheid en hoop. “Men wist in de tijd dat mijn vader hier woonde hoe men het voortaan ging doen.” Wie haar boeken leest, kan ook niet aan de indruk ontkomen dat ze een Berlijnse sfeer ademen. Hoewel de gebeurtenissen zich meestal herkenbaar in Den Haag afspelen, roepen ze associaties op met het Berlijn uit de jaren twintig. Veel alcohol en veel seks, maar ook veel vergane glorie, met verloederde families die naar buiten toe de schijn ophouden.

Ruebsamen beseft heel goed dat haar Berlijn "tweedehands' is. Ze is geboren in 1934, in Batavia, toen haar vader al bijna tien jaar uit de stad weg was. Ze weet ook niet goed wat ze nu met die stad aanmoet. “Het bevalt me eigenlijk niets, dat duiken in je eigen geschiedenis.” Ze is als de dood dat haar vader met al zijn tragiek haar verblijf zal gaan overheersen. Ze heeft juist altijd haar best gedaan het droevige geen kans te geven.

In een lezing die zij kort voor haar vertrek naar Berlijn in Amsterdam heeft gehouden, heeft ze treffend haar favoriete houding tegenover het verleden aangegeven. Samen met enkele andere schrijvers moest ze ingaan op de Madeleine, het koekje dat Marcel Proust hielp bij het oproepen van zijn jeugdherinneringen. Wat doet een schrijver om de stroom van herinneringen die zijn materiaal zijn, op gang te brengen, zo was de vraag. Het antwoord dat Ruebsamen gaf was nogal tegendraads. Zij hoefde, in tegenstelling tot veel andere schrijvers, haar herinneringen helemaal geen handje te helpen. Zij deed juist haar uiterste best het verleden te vergeten. Zij was het type schrijver dat zijn schrijverschap te danken heeft aan een "voortdurend gevecht' met de herinnering.

Ruebsamen vertelde het Amsterdamse publiek dat haar herinneringen haar naar de "bedriegelijke paradijzen' van haar jonge jaren konden brengen die naar "het vagevuur en de hel' hebben geleid. Wat zij nodig had, om te leven en te schrijven, was het omgekeerde van een Madeleine: "Geef mij maar af en toe een blok beton, schokbeton om de gaten te dichten waaruit de herinneringen zich naar buiten willen wringen.' Over haar personages zei ze: "Zij zijn veel heldhaftiger dan ik. Ze hebben nooit iemand anders nodig om voor hun ongeluk op te draaien. Ze zijn ook veel droeviger en diepzinniger. Zij drijven niet steeds met alles de spot en leuteren zich niet overal gemakkelijk en lichtzinnig uit.'

Onderduik

In Berlijn vertelt Ruebsamen hoe haar schrijven haar altijd heeft geholpen om de realiteit te overwinnen. Op haar tiende, aan het eind van de oorlog, schreef ze al verhaaltjes over mensen die de ellende beleefden waarvoor ze zelf haar ogen gesloten wilde houden. "Oorlog, onderduik, verstandsverbijstering, ontreddering en ontworteling, het was allemaal aan anderen overkomen.' Haar personages kunnen misschien ook niet tegen de narigheid, zegt ze, maar als zij er aan bezwijken, dan is dat "in plaats van de schrijver'. Ze bezweert haar herinneringen door er literatuur van te maken.

Anne Frank

Over die voor haar zo belangrijke oorlogsjaren wil ze nog altijd niets zeggen. “Ik wil niet, zoals een vriend van me zei, bekend worden als de Anne Frank die het allemaal heeft overleefd.” Maar het praten over Duitsland en Berlijn is nu vrijwel onvermijdelijk. Ruebsamen beseft dat haar reis naar Berlijn een nieuwe fase inluidt in haar houding tegenover het verleden. Ze is ook niet meer zo zeker of verdringing altijd de beste methode is. “Het is misschien wel laf om het verleden steeds te ontlopen,” zegt ze nog geen week na haar Amsterdamse lezing. “Je moet het toch onder ogen zien. Het vreet een weg naar je toe.” Ze is voor het eerst begonnen met het bijhouden van een dagboek omdat ze wil weten wat de stad met haar doet.

“Ik had ook niet kunnen komen” geeft ze even later toe. “Het allerlaatste wat ik wil is zwelgen in het verleden, maar het dient zich nu wel aan. Misschien heb ik wel besloten naar Berlijn te gaan om in het geheugen van mijn vader te kijken. Hier kan ik de verhalen toetsen die ik van hem heb gehoord.” De afgelopen dagen heeft ze in Berlijn mensen gezien die op hem leken. “Hij kleedde zich nog altijd in zwarte jassen, en droeg een zwarte hoed, zoals Kafka. Het zou me niets verbazen als ik hem hier tegenkwam.”

Ze vertelt dat thuis in de kelder kisten vol papieren uit de jaren twintig heeft. “Brieven, foto's, alles door elkaar.” Maar ze durft nooit in "die enge koffers' te kijken. “Ik heb er wel eens een opengemaakt. Soms rol ik er wat uit. Maar 't komt me voor als lijkschennis. Alsof je in iemands hersens zit te wroeten.”

Ruebsamen heeft lange tijd in de journalistiek gewerkt. Daar heeft ze, zegt ze, het schrijven pas goed geleerd. Na de middelbare school kwam ze aan het begin van de jaren vijftig als verslaggever terecht op de redactie van de Haagse krant Het Vaderland. Ze beschreef met wisselend succes een maansverduistering, de Watersnoodramp, en ze maakte interviews met kunstenaars. “Het belangrijkste was dat ik leerde hoe je iets op een prikkelende manier beschrijven moest. Een verhaal van a naar z vertellen is natuurlijk onzin. Ook als je je, zoals in de journalistiek, aan de feiten houdt, is de eerste vraag: wat is je ingang. Hoe breng je naar voren wat je naar voren wilt brengen.”

Een keerpunt was voor haar het jaar 1954. Ze was net twintig jaar en had voor elkaar gekregen naar Wenen te worden gestuurd, waar ze het vertrek zou verslaan van de Russen die in Oostenrijk gelegerd waren geweest. “Ik wilde er heen om uit te zoeken wat goed en kwaad was, zoals iedereen die jong is.” Wat ze echter in Oostenrijk zag, begoochelde haar. “Oorlogsinvaliden die in een soort manden liepen, mensen die heilzame baden namen, en militairen die opgewekt zeiden dat ze tijdens de oorlog in Nederland waren geweest. Ik had gedacht dat de Oostenrijkers blij zouden zijn met het vertrek van de Russen, die in Nederland algemeen als schurken werden beschouwd. In plaats daarvan zag ik hoe hele gezinnen stonden te huilen omdat "hun Rus' wegging. De Russen waren in Wenen al helemaal ingeburgerd. Ze hadden vriendinnen, noem maar op.” Ruebsamen besloot voortaan alleen nog maar te beschrijven. “Ik wilde geen oordeel meer geven. Ik wilde niet nog een keer zoiets meemaken.”

Mercedes-camper

Na mijn terugkomst uit Berlijn zoek ik Helga Ruebsamen nog een paar keer in Nederland op. Hoewel ze een huis heeft in Scheveningen blijkt ze al die tijd steeds in Amsterdam te bivakkeren, in een glinsterende Mercedes-camper aan de oever van de Amstel. Als ik de tweede keer op visite kom, is ze al twee weken niet thuis geweest. Tijdens de Boekenweek heeft ze veel in het land moeten voorlezen en haar camper dient dan als hotel.

Ze vertelt de laatste dag in Berlijn doodziek te zijn geworden. Volgens haar is dat niet toevallig. Het Berlijnse klimaat is niet goed voor haar gezondheid. “Berlijn is voor mij nog steeds synoniem met hopeloos. Het is me dan ook een raadsel wat schrijvers als Armando en Nooteboom daar te zoeken hebben.” Tegelijkertijd is er steeds meer van overtuigd geraakt dat ze het verleden nu toch te lijf moet. “Op een dag moet je je eigen geschiedenis onder ogen zien, alles in kaart brengen, rekenschap afleggen van wat je hebt meegemaakt.”

We praten over haar romans en verhalen en over de "vreemde loterij' die maakt of je succes hebt of niet. In het midden van de jaren zestig schreef Helga Ruebsamen de verhalenbundel De kameleon en de roman De heksenvriend, die onmiddellijk goed werden ontvangen. Deze krant noemde het een "briljante' roman. Na de in 1971 verschenen bundel De ondergang van Makarov liet de schrijfster echter zeventien jaar lang niets meer van zich horen. Het schrijven beviel haar wel, vertelt ze nu, en ze bleef al die tijd ook doorschrijven, maar ze had genoeg van alles wat erbij komt kijken: lezingen, interviews, de aandacht voor de persoon van de schrijver.

“De negatieve kanten van het publiceren wogen voor mij zwaarder dan de positieve. Ik moest dingen doen die niet bij het schrijven horen: vertellen waarom ik schrijf. Dat was niets voor mij. Ik werk niet voor niets vaak in een kelder. Mijn lievelingswens, als kind, was al om onzichtbaar te zijn - dat stamt misschien nog uit mijn onderduikperiode.” Ook haar reizen in de camper verklaart ze uit een neiging tot verstoppen: “Het is ook een vorm is van onzichtbaarheid. De mensen staan hier soms wel naar binnen te turen, maar ze zien me niet.”

In 1988, met de verhalenbundel Op Scheveningen, verbrak ze eindelijk haar stilzwijgen. Ze verscheen er mee bij Adriaan van Dis, en het boek haalde binnen twee jaar vijf drukken. Maar ook dat deed haar weinig goed. Ze kon van het verdiende geld de camper kopen, maar de reacties van het publiek beschaamden haar. Niemand liet merken het boek ook echt in zich op genomen te hebben. “Veel mensen zeiden, wat leuk, we hebben uw boek gekocht, maar we moeten het nog lezen.”

Weemoedig

Eind vorig jaar verscheen van Ruebsamen De dansende kater. Het opvallende aan deze verhalenbundel is dat hij eindigt met twee lange verhalen die bij de rest van het werk enigszins uit de toon vallen. Ze horen duidelijk bij elkaar, de personages keren terug. Ze gaan over een slungelige jongen en zijn vader, die beiden een onduidelijke relatie met een prostituée onderhouden. Maar het verhaal heeft een zware weemoedige toon, waardoor doet denken aan het beste van Van Oudshoorn.

Dit roept de vraag op waarom ze apart zijn uitgegeven en waarom ze niet zijn uitgewerkt tot een roman. Ruebsamen vertelt dat ze daar inderdaad mee bezig is geweest. Het materiaal was oorspronkelijk ook veel omvangrijker. De moeder van de jongen was veel uitgebreider beschreven, een kleinburgerlijke Haagse dame die haar uiterste best doet haar stand op te houden. Maar het werd haar uiteindelijk te benauwend. “Ik wilde er van af. Ik had geen zin om nog een heel jaar met die treurige moeder bezig te zijn. Ze is het toonbeeld van het fatsoen waar zoveel leed achter schuil gaat.” Ze merkte dat ze een voorkeur heeft voor levenslustige, weerbare mensen die nog geloof in de toekomst hebben.

Ze vertelt dat ze van bijna al haar personages veel meer gegevens heeft dan in de verhalen terecht komen. “Als ik een roman of novelle schreef zou ik alles wat ik heb wel meer etaleren, maar ik kies voor indikken, omdat de smaak dan veel uitgesprokener wordt.” Ze vergelijkt haar werkwijze met bouillon die je twee keer moet koken om de smaak krachtiger te maken. “Ik begin vaak met novellen, die ik daarna net zo lang bewerk tot ze een geladen, compact kort verhaal zijn.”

We komen nog één keer terug op de herinnering. Ik zeg dat ik de tekst van de Amsterdamse lezing nog eens heb doorgelezen en ik vraag of ze dan helemaal geen gelukkige herinneringen heeft. Na enig nadenken noemt ze het jaar na de oorlog. “De bevrijding en wat daar op volgde is voor mij nog steeds een wonder. Eén keer een wonder in je leven is genoeg. Door die ervaring behoor ik tot de generatie die in wonderen is blijven geloven. Ik denk altijd dat alles wel weer goed komt, omdat het toen ook goed is gekomen. Ik heb geleerd uit te blijven kijken naar een volgend wonder.”

Helga Ruebsamen woonde toen al in Den Haag. “Een jaar lang is het feest geweest. Verukkelijk bandeloos. Niemand lette ergens op. Wie te keer wilde gaan, deed dat. Er waren orgiën en bacchanalen in het Haagse Bos. Natuurlijk was het niet paradijselijk. Je had bijltjesdag, NSB-ers werden uit hun huizen getrokken, moffenhoeren werden kaalgeschoren, de bevrijding ging gepaard met een bloederige opwinding. Maar de schijnheiligheid was weg. De maskers waren afgeworpen. De mensen die de moffenhoeren kaalschoren waren tenminste herkenbaar. Dat was beter dat het klimaat dat daarna weer kwam.

“Daarna gingen er stemmen op dat de festiviteiten en de vrijpartijen nu maar eens op moesten houden. Toen pieterde het uit. De betweters kwamen weer aan bod. Dat heeft de jaren vijftig tot zulke verschrikkelijke jaren gemaakt.”

Ook over deze gelukkige tijd heeft ze nooit geschreven. “Dat zou te dicht bij mijn eigen geschiedenis komen en bij dat verleden waarmee ik niets te maken wilde hebben.” Maar de ervaringen die ze opdeed zijn naar haar gevoel wel in haar boeken verwerkt. “Mijn verhalen zijn naar karakter autobiografisch. Ik schrijf over mensen die zich niet neer leggen bij de omstandigheden. Ze blijven hopen op wonderen.” Ook het directe en onverhulde dat kort na de oorlog bestond komt in haar verhalen terug. “Ik heb wel eens het verwijt gekregen dat ik altijd over bizarre mensen schrijf, verschoppelingen, brekebenen, maar het zijn tenminste mensen zonder masker.”