Het gouden ei

Een maand geleden lag bij de firma De Slegte een dik pak, dat de subsidie-aanvragen van schrijvers bevatte.

Het pak was daar gedeponeerd door Peter Vleesch Dubois, die in 1982 een onderzoek had gedaan naar de werkwijze van het Fonds van de Letteren. De documenten die de onderzoeker bij die gelegenheid had verzameld, wilde hij kennelijk te gelde maken, een impertinente daad waarover Willem van Toorn, een oud-bestuurslid van het Fonds, zich in Het Parool terecht kwaad heeft gemaakt. Het pak is inmiddels weer aan de rechthebbende teruggegeven.

Uit het pak bleek dat nogal wat schrijvers hun aanvragen ondersteunden met een kommervolle beschrijving van hun leefomstandigheden. Door te wijzen op huurachterstand, lekkende kranen en andere ongemakken probeerden zij in zelfvernedering het Fonds te vermurwen om alsnog over de brug te komen. Pijnlijke lectuur, die volgens Van Toorn beter ongepubliceerd had kunnen blijven, “omdat het aansluit bij het Gesundes Volksempfinden: waarom moeten schrijvers eigenlijk subsidie krijgen?”

In dit opzicht kan ik het moeilijk met Van Toorn eens zijn. Al die meelij opwekkende aanvragen roepen niet op tot het afpakken van subsidie. Integendeel, je krijgt het gevoel: geef die schrijver in godsnaam zijn geld, hij of zij heeft het toch al zo moeilijk. Het pijnlijke van die aanvragen zit hem niet in wat het publiek ervan zal vinden, maar in de afhankelijkheid van de schrijver zelf.

Wij zijn geneigd om de schrijver te zien als een ongebonden geest, die zich vrijelijk over allerlei maatschappelijke problemen kan uitspreken. Helaas verstoort al dat gebedel de romantische mythe van de onafhankelijkheid, en het is juist die notie die het openbaar maken van die aanvragen zo pijnlijk maakt.

In het verleden heb ik mij nogal eens afgezet tegen de werkwijze van het Fonds van de Letteren, maar ik besef ook hoe moeilijk het is een bevredigend alternatief te vinden. Boeren, vliegtuigbouwers en zelfs voetbalclubs worden gesubsidieerd, dus waarom schrijvers niet? Dat neemt niet weg dat het hele beoordelingssysteem van het Fonds gebreken bevat, en dat het legitiem is daar af en toe op te wijzen.

In Het Parool zegt Van Toorn dat het Fonds wel eens fouten maakt, maar dat fouten maken menselijk is, daar is dus niets aan te doen. Bij die opmerking moest ik onwillekeurig denken aan Het gouden ei van Tim Krabbé. Het is een beklemmende novelle die ik nog steeds niet met droge ogen kan lezen, kwalitatief te vergelijken met Het behouden huis van Hermans. Het gouden ei beleefde herdruk op herdruk, en ook in het buitenland werd het lovend ontvangen. De New Yorker, toch niet een provinciaal sufferdje, recenseerde het juichend. Er werd door George Sluyser een film van gemaakt en van die film maakte Hollywood weer een succesvolle remake. Het gebeurt niet zo vaak dat een Nederlands boek het zo ver brengt.

Maar in 1986 werd Het gouden ei door het Fonds van de Letteren afgekeurd “wegens te geringe literaire kwaliteit”. Naar wat het Fonds “de resultante van een intersubjectief beoordelingsproces” noemde, werd Krabbé's aanvraag voor een aanvullend honorarium afgewezen. Die beslissing werd later in hoger beroep bekrachtigd.

Ik wil die kwestie hier niet opnieuw oprakelen, maar om achteraf het oordeel van het Fonds te toetsen, interesseerde mij vooral deze vraag: welke boeken kregen in 1984, het jaar waarin Krabbé Het gouden ei schreef, wel een aanvullend honorarium? Met andere woorden: welke boeken die in 1984 door het Fonds van literair belang werden geacht, worden nu nog gelezen? Welke boeken hebben bijna tien jaar lang stand gehouden?

In 1984 heeft het Fonds in totaal vijftig prozawerken met een additioneel honorarium beloond. Daar zijn een paar bekende titels bij: In Nederland van Cees Nooteboom, Naar de bliksem, ik niet van Renate Rubinstein, De stille vriend van Gerard Reve en Geheim dagboek van Hans Warren. Dan is er een aantal titels dat het misschien niet zo heeft gedaan, maar waarvan vrij algemeen wordt aanvaard dat zij tot de Nederlandse literatuur behoren: Reis door mijn kamer van Maarten Biesheuvel, Wie doet de Koningin van Remco Campert, Gevecht tegen het zuur van Johnnie van Doorn, Het landschap der levenden van Bob den Uyl en nog een paar andere titels.

Maar wie leest nog Reiziger in Scheerapparaten van Niels Bokhove, Het scherp van de snede van Frans Gruppelaar, Grondwerk van Kees Helsloot, Onttroning van Nelly Heykamp, Zoveel vreemde mannen van Aleida Leeuwenberg, Op het eiland van nu van K.L. Poll, Sprokkelkunst van Siegfried E. van Praag, Zee van geheel wit van Dick Schouten, Ontdekkingstochten van Constant Schröders of Nora van Koba Swart? Een milde schatting zegt me dat ten minste dertig van die vijftig titels niet meer in aanmerking komen voor een herdruk en dat er iets onwaarschijnlijks moet gebeuren, wil het tot een herontdekking komen.

Is het erg dat zulke boeken een honorarium hebben gekregen? Niet echt. Niemand is helderziend. De tijd in haar onzichtbare dwang is wreed voor de schrijver, en als de tijd geen compassie toont, is het heel sociaal wanneer subsidiegevers dat wel doen. Erger dan een aanvraag ten onrechte te honoreren, is een aanvraag ten onrechte af te wijzen.

Neem Lieve kinderen, hoor mijn lied, een bundel kinderversjes van Rudy Kousbroek, in 1991 voor een aanvullend honorarium afgewezen wegens te geringe kwaliteit. Kennelijk vond de commissie Kinder- en Jeugdliteratuur de bundel van Kousbroek maar niks en zag men meer literaire kwaliteit in Tovertante Archibalda, van Thea Dubelaar. Maar mij zou het niet verbazen als het bundeltje van Kousbroek over tien jaar nog wordt herdrukt, al geef ik toe dat ik niet onmiddellijk zie hoe je er een Hollywood-film van zou kunnen maken.