ERIK ANDRIESSE 1957 - 1993; Koket en virtuoos

Volkomen onverwacht is woensdag in zijn woning in Amsterdam de schilder Erik Andriesse overleden.

Andriesse, die een natuurlijke dood stierf, werd 35 jaar. Morgen zou in Amsterdam een tentoonstelling opengaan met nieuw werk van de schilder. Andriesse had weer tekeningen en een paar schilderijen gemaakt van bloemen en dieren. Weer, want Andriesse was een schilder van weinig onderwerpen. Hij schilderde, telkens opnieuw, amarylissen, zonnebloemen en lelies, schelpen en kreeften, de schedels van mensen en apen en de skeletten van leeuwen, springbokjes en giraffes. Andriesse schilderde altijd naar model. Hij liet zien hoe mooi hij iets vond en hoe mooi hij het kon maken. “Wat ik schilder is het tatoeage-repertoire,” zei hij twee jaar geleden in een interview met deze krant. “Bloemen en schedels. Iedereen over de hele wereld begrijpt het. Leven en dood.”

Van de kunstgeschiedenis en de modes in de hedendaagse kunst trok Andriesse zich sinds 1983, toen hij zijn eerste bloem schilderde, weinig meer aan. Hij schilderde veel zonnebloemen en exposeerde in 1988 in het Van Goghmuseum. Maar commentaar op Van Gogh gaven zijn schilderijen niet. Vóór Van Gogh schilderde men toch ook zonnebloemen? Het ging hem om het prachtige geel.

De in Bussum geboren Erik Andriesse was een wonderkind. Op zijn vijftiende had hij zijn eerste expositie. De helden van zijn jeugd waren Salvador Dal en Peter Vos. Na de middelbare school ging Andriesse meteen naar Ateliers '63 in Haarlem, eigenlijk een post-academische opleiding. Andriesse kon er niet aarden. De abstracte schilderkunst, die in de jaren zeventig de boventoon voerde, lag hem niet. Na de academie werd hij huisschilder. In 1983 besloot hij weer te doen wat hij altijd het prettigst had gevonden, het schilderen van bloemen. Later kwamen daar de dode dieren en de zeewezens bij.

Andriesse is steeds verfijnder gaan schilderen. De grove uitbarstingen van kleur maakten plaats voor precieze bestudering van bij voorbeeld het pantser van een kreeft. Andriesse werd steeds minder bang voor zijn eigen virtuositeit. Als zijn kleuren niet oogverblindend waren, waren ze wel oogstrelend. Andriesse is geen schuwe schilder, zijn rood wil het diepste rood zijn, zijn oranje mag stralen. In een decor plaatste hij zijn modellen niet. Als er meer dan een voorwerp op een doek moest, rangschikte hij ze in een grillig ritme.

Andriesse schilderde alleen naar de natuur., Door mensen gemaakte dingen hadden geen magie voor hem. De grote skeletten schilderde hij in het Zoologisch museum van Artis, waar hij twee jaar geleden exposeerde. Een van zijn beste werken daar was een schilderijtje van een pasgestorven nijlpaardje. Andriesse mocht het in een vrieskist meenamen naar zijn atelier. “Voor het in de kist ging, vroegen ze me in welke houding ik het wilde hebben. Alsof het vredig op een rots lag te slapen? Nee, zei ik, ik wil zien dat het dood is, laat het maar op zijn rug liggen, met zijn poten achterover en een open bek.”

Erik Andriesse was in zekere zin een dapper schilder. Hij ging zware onderwerpen niet uit de weg, hij flirtte ermee. Hij was een eenling, durfde koket te zijn, zwaarmoedig en virtuoos.

Andriesse wordt begin volgende week op Zorgvlied in Amsterdam begraven. Zijn nieuwe werk, waaronder ook keramiek, is vanaf 3 april drie weken te zien bij galerie Metis, Keizersgracht 688, Amsterdam.