Biografieën.

Biografieën

Sorabji

Paul Rapoport (ed.): Sorabji: a critical celebration. Uitg. Scolar Press. Prijs ƒ 45,-.

Gershwin Edward Jablonski: Gershwin in de spiegel van zijn tijd. Uitg. J.H. Gottmer, 224 pag. Prijs ƒ 37,90.

Afrika Francis Bebey: De Muziek van Afrika. In de Knipscheer, 176 blz. Prijs ƒ 39,50.

Biografieën

Er zijn verschillende manieren om een biografie over een componist te beginnen. Zo zou je kunnen schrijven: “Sjostakovitsj' ouders waren begin dertig en woonden met hun eerste kind, Maroesja, op het adres Pdolskaja 2, Petersburg, toen zich in het tsaristische Rusland van hun generatie de eerste hevige maatschappelijke schokken voordeden.” Zo wandel je van A tot Z door het leven, om te eindigen bij de dood. Een andere mogelijkheid is: “Een componist die een van de eerste automobilisten in Leningrad was en zijn toekomstige vrouw bij het tennissen leerde kennen, gaf in 1927 in een autobiografische schets een resumé van zijn jonge leven.” Een zorgvuldig gekozen begin, met oog voor opvallende details.

Het eerste citaat komt uit de Sjostakovitsj-biografie van uitgeverij Gottmer, die een jaar of zes geleden met haar inmiddels flink gevorderde reeks begon. De tweede is uit een serie die Contact sinds anderhalf jaar uitgeeft. Tussen beide bestaan grote verschillen. In de boeken van Gottmer lijkt een poging gedaan te worden om zo min mogelijk over de muziek en zo veel mogelijk over het leven van de componist te vertellen.

Contact maakte een betere keuze. Zij vertaalt deeltjes van de zeer degelijke Rororo-Bildmonographien van de Duitse uitgeverij Rowohlt. Acht zijn er inmiddels verschenen, onder meer van Bach, Brahms, Mahler, Rossini en Schönberg. Die van Beethoven, Mendelssohn, Tsjaikovski en Vivaldi staan op stapel (de prijs is ƒ24,90). De uitgaven zien er wat beter uit dan de Duitse originelen, al hebben ze niet de uiterlijke kwaliteit van de gebonden Gottmer-reeks.

Belangrijker dan hoe de boeken eruitzien is wat erin staat. In de biografieën van Contact wordt het levensverhaal van de componist op een vanzelfsprekende manier gecombineerd met informatie over zijn werk. De toon is nuchter (Camille Bourniquel begint haar betoog met de opmerking dat het romantische beeld van Chopin op een misverstand berust, Luc-André Marcel zal bij de beschrijving van Bach "in menig opzicht afwijken van traditionele opvattingen'). Muziektechnische termen blijken niet helemaal te vermijden, al wordt de beschrijving van de muziek zelden zo theoretisch dat die voor leken niet meer te volgen is. Maar wat is de zin van een componistenbiografie die niet gaat over muziek?

PAUL LUTTIKHUIS

Sorabji

Een kloek boek van meer dan een kilo (1137 gram, 512 bladzijden) is een van de weinige tastbare bewijzen van het bestaan van de muziek van Kaikhosru Shapurji Sorabji, de merkwaardigste componist sinds mensenheugenis omdat hij uitvoering van de overweldigende hoeveelheden van zijn vrijwel onspeelbare muziek verbood, behalve aan wie eerst examen bij hem deed. Sorabji (1892-1988) behoorde tot de Parsi, een volk in India dat afstamt van gevluchte Perzen. Hij werd geboren in Engeland, waar hij woonde als een kluizenaar, maar weigerde zich als Engelsman te laten betitelen. Samensteller Paul Rapoport zegt dat aan het begin van Sorabji, a critical celebration in een gefingeerd interview met een I.P. onder de titel "Why Sorabji?'

De initialen I.P. staan voor "Interested Person'. Zo'n I.P. is een al even merkwaardig mens als Sorabji zelf. Want al kan men geïnteresseerd zijn in iets dat men niet kent, men moet toch eerst van het bestaan ervan weten. De berichten over Sorabji waren altijd schaars en geheimzinnig. Toen de Oxford Companion of Music hem veertig jaar geleden vroeg tenminste enkele feiten op papier te zetten, schreef hij terug een afkeer te hebben van impertinente vragen en er een gewoonte van te maken lexicografen te misleiden.

De onvoorstelbaar virtuoze Haagse pianist Geoffrey Madge deed als een van de weinigen - na twintig jaar studie - examen bij Sorabji, waarna hij toestemming kreeg in het Holland Festival diens bijna vier uur durende Opus Clavicembalisticum uit te voeren, voor het eerst na de door de componist gegeven wereldpremière in 1930 in Glasgow. De toen in Utrecht gemaakte plaatopnamen zijn niet meer te krijgen, zo blijkt uit de opsomming van de schaarse tapes en platen die van Sorabji's muziek bestaan. Het boek vult de leegte enigszins op met vrijwel alles wat erover Sorabji in zeer kleine kring bekend is: herinneringen, interviews, onder andere met Madge, een oeuvre-catalogus, een lijst met Sorabji-uitvoeringen, een bibliografie, een aantal foto's, notenvoorbeelden etc. Bij elkaar doet het aan als een chique plakboek van de fanclub. Gelukkig wordt niets ontraadseld, alles blijft terecht even merkwaardig.

Paul Rapoport (ed.): Sorabji: a critical celebration. Uitg. Scolar Press. Prijs ƒ 45,-.

KASPER JANSEN

Gershwin

Ha, dacht ik toen op het omslag van Gershwin in de spiegel van zijn tijd de naam van Edward Jablonski bleek te staan - ha, weer een boek van Jablonski. In 1988 verscheen van zijn hand een studieuze en uiterst gedetailleerde Gershwin-biografie die niet alleen de componist portretteerde, maar ook diens omgeving: de joodse gemeenschap in New York in het begin van deze eeuw, het variété-theater, de latere musical-industrie, het vooroorlogse Hollywood en Parijs gedurende het interbellum. Een schitterend en moeilijk te overtreffen boek.

De nu verschenen bundel is de (adequate) Nederlandse vertaling van Jablonski's vorig jaar gepubliceerde Gershwin remembered, een allegaartje van citaten van en over Gershwin uit brieven, interviews, knipsels en vooral veel eerdere biografieën. De opzet is min of meer chronologisch, maar hoogst fragmentarisch, alsof het de uitgetikte tekst van een tv-documentaire is: eerst de naam van de geciteerde met wat biografische gegevens en daarna het citaat over Gershwin. De lezer moet uit die brokstukken zelf maar het doorlopende verhaal zien samen te stellen.

Vanzelfsprekend staan er desondanks lezenswaardige opmerkingen in, zoals deze van de schrijfster en componiste Kay Swift: “George was er heilig van overtuigd dat iedere componist in eerste instantie een heleboel oppervlakkig en oninteressant materiaal in zijn hoofd heeft zitten. Dus zei hij altijd: speel dat weg, of: blijf net zo lang schrijven tot je dat hebt gehad; wat goed is, ligt daaronder.”

Altijd aardig zijn de kritieken die werden geschreven toen Gershwin nog niet de onaantastbare reputatie van nu had. “Eigenlijk is het een zootje uiterst heterogene vormen en uitdrukkingen van het tweede plan,” vond bijvoorbeeld de muziekcriticus Paul Rosenfeld, terwijl de componist Arnold Schönberg al in 1938 schreef dat Gershwin unieke prestaties verrichtte met ritme, harmonie en melodie.

Allemaal interessant genoeg, maar Jablonski's echte biografie was me heel wat liever dan dit knip- en plakwerk.

Edward Jablonski: Gershwin in de spiegel van zijn tijd. Uitg. J.H. Gottmer, 224 pag. Prijs ƒ 37,90.

HENK VAN GELDER

Afrika

De Kameroense schrijver, musicus en ethnomusicoloog Francis Bebey was hoofd van de muziekafdeling van UNESCO en publiceerde in 1969 het boek Musique de l' Afrique. In 1975 werd het in het Engels uitgebracht en nu is er dan een Nederlandse vertaling. “Juist omdat Bebey bewust de traditionele muziek centraal stelt, is het volledig actueel gebleven,” staat ter legitimatie op de achterflap. Wat de tekst betreft moge dit kloppen, voor het overige heeft de uitgever juist van alles gedaan om dit boek actueel te maken. Het voorwoord werd gewijzigd, de foto's voor een deel vervangen, de discografie aangepast aan het cd-tijdperk en voor de titel kwam het woordje "de' te staan. Maar in De Muziek van Afrika is slechts weinig over de muziek in Zuidelijk- en Oost-Afrika te vinden en over die ten noorden van de Sahara zelfs geen letter. Traditionele muziek in de voormalige Franse koloniën in Afrika, daar gaat dit boek over: Senegal, Mali, Congo, Zaïre, en wat de foto's betreft vooral over Togo. De actualisering van de discografie heeft absurde gevolgen: opnamen die Bebey beschrijft, zijn niet te vinden in de discografie, en wat daar wel in staat, wordt maar zelden door Bebey beschreven. Tamelijk frustrerend voor iemand die probeert zijn kennis te verrijken.

Deugt er dan helemaal niets aan deze Nederlandse editie? Alleen de oorspronkelijke tekst dus. Het overzicht van Afrikaanse instrumenten, 90 pagina's lang, is nog steeds handig, Bebey's opvattingen over de functie en het karakter van de traditionele Afrikaaanse muziek zijn nog altijd het lezen waard. Al klinkt het tegen het eind opduikende begrip "negerkunst' anno 1993 wel een tikje ouderwets.

Francis Bebey: De Muziek van Afrika. In de Knipscheer, 176 blz. Prijs ƒ 39,50.

FRANS VAN LEEUWEN