Sociale dumping in Euro-Taiwan

Groot-Brittannië werft nijver buitenlandse bedrijven en is daarbij bereid tot concessies. Getolereerd wordt dat Brits personeel wordt aangenomen tegen aanzienlijk slechtere voorwaarden dan elders in Europa. Bonden en het benadeelde buitenland spreken er schande van.

Wordt Groot-Brittannië het Taiwan van Europa? Het is een favoriete uitdrukking voor gefrustreerde politici buiten Groot-Brittannië, die met afkeer toezien hoe sommige (buitenlandse) bedrijven hun activiteiten verplaatsen naar de Britse eilanden omdat ze daar lagere lonen betalen en minder last van regelgeving hebben dan in andere Europese landen. De Britse distantie van de sociale paragraaf in het Verdrag van Maastricht versterkt de indruk dat in Groot-Brittannië alles is geoorloofd wat elders als uitbuiting wordt beschreven: het negeren van medezeggenschap in bedrijven, het weigeren een minimumloon in te voeren, het minimaliseren van sociale bescherming en het laag houden van pensioenen.

Het laatste voorbeeld bij uitstek van wat “sociaal dumpen” wordt genoemd, is in veler ogen de verplaatsing van een stofzuigerfabriek van het Amerikaanse bedrijf Hoover uit Dijon in Frankrijk naar Cambuslang in Schotland. De beslissing kost Dijon 700 arbeidsplaatsen, en bezorgt Cambuslang (bij Glasgow) een winst van 400 banen. Naar verluidt, kan Hoover in Schotland voor één derde van de prijs terecht die het in Frankrijk betaalde.

De Franse vakbonden stonden op hun achterste benen en beschuldigden de Britse regering ervan dat ze in de zak zit van perfide Amerikaanse (en Japanse) bedrijven, die haar als lakei gebruiken voor hun streven naar de goedkoopste deal op wat een vlak wedstrijdterrein zou moeten zijn: dat van een geïntegreerd Europa waar op de interne markt overal dezelfde voorwaarden gelden.

De rel werd verder opgestookt door Franse politici, die in hun verontwaardiging op hun beurt nog eens werden geënthousiasmeerd door de nabijheid van Franse verkiezingen. “Schande!” vond premier Pierre Bérégovoy, een socialist. “Groot-Brittannië slaat een weg in die alleen maar op desilllusie kan uitlopen. Zo zie je maar, waar ongebreideld liberalisme toe leidt. De Schotse werknemers hebben een pistool tegen hun hoofd gezet gekregen en onder druk daarvan afstand moeten doen van bepaalde rechten, dat om te staken bij voorbeeld, en ze hebben moeten accepteren dat ze gekort worden op hun pensioenen en op hun lonen.”

Daarbij kon de gaullistische Jacques Chirac niet achterblijven. Hij reisde af naar Dijon om de Hoover-werkers voor te houden dat Groot-Brittannië “het Taiwan van Europa” aan het worden is. En wat de Amerikanen betreft: zij hadden zich gedragen als “barbaren”.

Jimmy Airlie, de vertegenwoordiger van de vakbonden die met Hoovers voorwaarden akkoord is gegaan, is een ouderwetse vakbondsonderhandelaar. Hij verdedigt de afspraak waaronder de Hoover-werknemers 10 pond per week minder gaan incasseren dan ze zouden moeten verdienen - en dat salaris zit al ruim onder dat in Frankrijk - als “onder de gegeven omstandigheden realistisch”.

Aan internationale vakbondssolidariteit heeft Airlie geen boodschap: het hemd is nader dan de rok. “Hetzelfde gebeurt immers op dit ogenblik in heel Groot-Brittannië. We zijn in recessie en onze verwerkende industrieën krimpen steeds verder in. Als we niet akkoord waren gegaan, had Hoover Dijon als hoofdplaats van vestiging gekozen.”

Pag.22: Flexibel personeel en lage kosten

De Hoover-rel was nog niet bekoeld, of in de Republiek Ierland waren soortgelijke verwijten te horen over de manier waarop de Britten binnen de EG "onder de markt' werken. Dit keer ging het om het besluit van het Amerikaanse bedrijf Digital zijn computerfabricage in Galway, al meer dan 22 jaar de trots van de stad, te sluiten ten gunste van een zusterfabriek in het Schotse Ayr. Officieel was de reden dat Digital vanuit Ayr beter zijn Britse klanten kon bedienen, maar Ierse parlementariërs verwezen duister naar geheime beloften over contracten die de Britse overheid aan Digital zou hebben gedaan. De Ierse minister voor werkgelegenheid, Ruairi Quinn, deed zijn beklag bij de EG-Commissie in Brussel over “oneerlijke contracten.” Zonder twijfel is een deel van de verontwaardiging in Frankrijk en Ierland toe te schrijven aan frustratie over de manier waarop Groot-Brittannië zich heeft onttrokken aan het Europees Monetair Stelsel, met als gevolg een sterk gedaalde rente, een gedevalueerd pond en, op korte termijn, een betere concurrentiepositie.

Intussen krijgt Frankrijk, nog steeds lid van het EMS, een recessie opgedrongen die alles te maken heeft met de hoge rente die de Franse regering moet handhaven teneinde de waarde van de franc te beschermen. Ierland heeft zich nog een tijdje inventief verzet, maar was uiteindelijk gedwongen te devalueren, alleen omdat de Britse devaluatie het daartoe dwong.

Die omstandigheden steken. In een situatie waarin de economie in heel Europa terugloopt, zijn investeringsbeslissingen bovendien extra belangrijk en vechten overheden harder om elkaar vliegen af te vangen. Maar steekt er waarheid in de beschuldiging dat de Britse regering, die in haar opstelling ten opzichte van Europa altijd zo aandringt op fair play, opzettelijk en oneerlijk onder de markt werkt? En is het waar dat bedrijven zich in hun beslissingen laten leiden door het gebrek aan sociale voorwaarden, die binnen Groot-Brittannië met vestiging gepaard gaan?

Een al gevestigde buitenlandse investeerder als de Japanse autofabrikant Nissan (4700 werknemers en, tot 1993, een geïnvesteerd kapitaal van 900 miljoen pond) laat er desgevraagd geen twijfel over bestaan dat hij - in de woorden van directeur corporate affairs Daniel Ward - “niet zit te wachten op Britse ondertekening van de sociale paragraaf, omdat dat onze produktiekosten zou opdrijven”.

Nissan in noordoost-Engeland, Bosch in Wales, Siemens en Toyota in de Midlands zijn alle voorbeelden van bedrijven die in de jaren tachtig Groot-Brittannië voor vestiging binnen de EG kozen omdat ze daar èn de ruimte hadden voor massale fabriekscomplexen èn aantrekkelijke voorwaarden kregen geboden èn een beroep konden doen op een relatief goed geschoold arbeidersbestand, dat overtollig was geworden door het verdwijnen van zware industrie en scheepsbouw. Lage lonen speelden een rol, maar volgens professor Gharel Rhys, verbonden aan de Cardiff Business School als bijzonder hoogleraar auto-industrie, laten de Japanse investeerders in de auto-industrie in Groot-Brittannië zich daarnaast leiden door de goede infrastructuur met de rest van Europa, door het klimaat van vrijhandel en door het relatieve gemak van de Engelse taal.

Het Verenigd Koninkrijk is voor zowel de Amerikaanse als de Japanse industrie de favoriete vestigingsplaats binnen de EG: meer dan één derde van de Amerikaanse en Japanse investeringen in Europa komt in Groot-Brittannië terecht. Een recente opiniepeiling onder 200 buitenlandse ondernemingen met vestiging in Groot-Brittannië leverde als resultaat op dat de investeerders als voornaamste voordelen zagen: tariefvrije toegang tot de EG en tot de Britse thuismarkt, de Engelse taal en de economische en politieke stabiliteit van Groot-Brittannië. De komst van de gemeenschappelijke markt, formeel per 1 januari van dit jaar, bevordert dat de keuze van produktielokaties binnen Europa niet langer een nationale, maar een grensoverschrijdende aangelegenheid wordt. Philips Nederland verplaatst de produktie van kathodes voor beeldbuizen van Sittard naar het Engelse Blackburn met als belangrijkste argument dat daar de lonen 20 procent lager zijn. Het Duitse bedrijf Hoeff vestigde zich in 1987 in de West-Midlands omdat het daar geen last had van vakbonden of van een werknemersbestand met eisen. De directeur van het bedrijf zei onlangs in een BBC-interview tevreden dat zijn 170 werknemers in het licht van de recessie zonder meer bereid waren in het weekeinde over te werken teneinde het bedrijf te helpen. In Duitsland zou hij daarvoor eerst vergunning hebben moeten aanvragen. Hij prees ook de omstandigheid dat de werknemers bereid waren geweest genoegen te nemen met een salariskorting van ¾ procent, na de devaluatie van het Britse pond. De import van onderdelen was daardoor immers duurder geworden en bedreigde de winstmarge van het bedrijf.

Die beperking aan sociale belemmeringen is volgens John Edmonds, secretaris-generaal van een van de grootste en modernste Britse vakbonden (GMB), onderdeel van de kortzichtigheid van de regering. Hij zegt dat bedrijven geen lange-termijnbetrokkenheid hoeven te ontwikkelen bij het kiezen van Groot-Brittannië als vestigingsplaats. Anders dan in bij voorbeeld Nederland of Duitsland kunnen ze “met één pennestreek” hun biezen pakken, wanneer de subsidies verbruikt zijn en de economische ontwikkelingen hen tegenzitten.

De vakbondsbaas vreest dat Groot-Brittannië zich beweegt in de richting van een bargain basement-economie,terwijl werkelijke groei alleen kan komen van technologische hoogwaardige, hooggeschoolde en goed gemotiveerde aandrijvers van de staatshuishouding. Hij hamert erop dat de produktiviteit in Britse bedrijven gemiddeld nog steeds 20 prodent onder die van het Europese gemiddelde ligt.

“Dáár moeten we vanaf en dat kan alleen als je mensen behoorlijk behandelt en tot waardevolle medewerkers maakt, hooggeschoold en met behoorlijke arbeidsvoorwaarden.” David Rees, directeur voor Europese Vestigingsadviezen bij de accountantsfirma Ernst & Young, is ervan overtuigd dat de Britse regering vooral zo hard trekt aan het interesseren van buitenlandse bedrijven in vestiging in het Verenigd Koninkrijk omdat zij hoopt dat de aldus geïmporteerde managementtechniek ook effect zal hebben op de attitudes in het Britse bedrijfsleven.

Rees: “Hier gevestigde bedrijven in buitenlandse handen hebben gemiddeld een hogere produktiviteit dan Britse bedrijven. In de laatste tien jaar is, deels daardoor, de efficiëntie in Britse bedrijven ook al een stuk groter geworden.”

Voor zover Rees heeft ondervonden, speelt het voorbehoud van de Britse regering ten aanzien van het wettelijk verplicht stellen van minimale sociale voorwaarden voor heel Europa, maar een “marginale rol” bij een besluit tot vestiging. Lage arbeidskosten en een flexibeler werknemersbestand - wat betreft overwerk en ploegendiensten - dan in bij voorbeeld Duitsland of Nederland spelen Groot-Brittannië in de kaart.

“De doorslag geven de relatieve winstgevendheid en de vraag of het bedrijf zich ergens lekker voelt. Overwegingen van moraliteit komen er al helemaal niet aan te pas. Op het punt van gezondheid, veiligheid en milieu loopt dit land precies in de pas met het vasteland van Europa.”

Maar ook Rees waarschuwt ervoor dat de komende herstructurering van bedrijven in Europa voor Groot-Brittannië kan werken als een tweesnijdend zwaard. Het lot van Leyland DAF wordt hier gezien als voorbeeld van het negatieve effect dat de easy come, easy go-praktijk in het Verenigd Koninkrijk kan hebben. Een land waarin het voor ondernemers zó gemakkelijk is werknemers de laan uit te sturen, kan daarvoor nog een dure prijs betalen.

De Confederation of British Industry (CBI), bij monde van voorzitter Howard Davies, prijst premier Major niettemin voor zijn verstandige distantie van een Europese sociale paragraaf, ook al schrijft die (nog) geen strikte minimumeisen voor. Davies zegt dat de EG niet moet navelstaren, maar moet denken aan de eigen mogelijkheid tot concurreren met landen als Japan en de Pacific rim.

Tegen de BBC zei Davies: “We moeten allemaal het ondenkbare denken en het hele concept van sociale voorzieningen van onder tot boven tegen het licht houden. Het huidige niveau van voorzieningen is te hoog in Duitsland, dat begint ook daar door te dringen. Als die conclusie doordringt, gaat heel Europa naar een economie van lage lonen en minder regelgeving, zoals in Groot-Brittannië.” Nederlandse diplomaten in Londen fronsen bij dergelijke boude taal de wenkbrauwen en voorspellen dat de overige Europese landen bepaalde minimale sociale voorzieningen zeker niet zomaar zullen prijsgeven. Hier botsen twee werelden: die van het continentale Europa, waar “onderlinge solidariteit” zit ingebakken in het ondernemingsmodel en die van de Angelsaksisch/Amerikaanse wereld, waar ondernemingen eerst kijken naar hun verplichtingen aan de aandeelhouder en dus naar maximale winst op korte termijn en dan pas naar hun werknemers.

Op de vraag of de Britten oneigenlijke middelen gebruiken om op de interne markt bedrijven “af te pikken” van hun Europese partners, zegt een van de Nederlanders: “Met het wegvallen van de binnengrenzen is een ander spel begonnen, met andere regels. Of wij wel fatsoenlijk met elkaar omgaan, is een vraag die je maar tot op zekere hoogte kunt beantwoorden. We hebben in Maastricht allemaal geaccepteerd dat de Britten zich willens en wetens van de sociale paragraaf hebben gedistantieerd. Dan hebben we dus nu geen recht van klagen.”