Renteprikkel

Postorderbedrijven als Otto en Wehkamp hebben blijkbaar geen hoge dunk van hun klanten.

De consument die bij zo'n bedrijf een videorecorder op krediet koopt, betaalt maar liefst 28 procent rente per jaar voor zijn lening. Voor een persoonlijke lening of een doorlopend krediet is hij bij de bank heel wat goedkoper uit. Waarom zou een consument dus poffen bij een cataloguswinkel? Blijkbaar wil de bank hem niet aan geld helpen. Daar zal de bank haar redenen wel voor hebben..., redeneert het postorderbedrijf. Natuurlijk willen wij hem die videorecorder best verkopen. En als hij daarvoor nu geen geld heeft, dan mag hij in termijnen betalen. Maar dan wel tegen een forse rente.

In het algemeen geldt: hoe groter de zekerheid dat de kredietgever zijn geld terugziet, hoe lager de rente. Vandaar dat geld lenen voor de aankoop van een woonhuis weer een stuk goedkoper is dan een persoonlijke lening. Als de rente en de aflossing niet op tijd worden betaald, heeft de bank immers altijd nog het recht van hypotheek. De bank kan haar vordering binnenhalen door het huis te laten verkopen. Maar geld lenen kan nog goedkoper. Het allergoedkoopst leent de Nederlandse staat. De kans dat onze minister van financiën niet aan zijn financiële verplichtingen kan voldoen, is (bijna) uitgesloten.

Niet alleen binnen een land, ook internationaal is er verschil in rente. Uit de tabel blijkt dat geldleners in Italië en Spanje een stuk duurder uit zijn dan in Nederland en vooral Japan. De rente op overheidsleningen ligt in Spanje ongeveer drie keer zo hoog als in Japan. Van de EG-landen heeft Nederland de laagste rente.

De renteverschillen van land tot land worden bepaald door een aantal factoren. In de eerste plaats de inflatie en de inflatieverwachting. Naarmate de (verwachte) prijsstijging in een land hoger is, zal ook de rente hoger zijn. In Japan was de inflatie over de afgelopen twaalf maanden maar 1,3 procent, terwijl die in Spanje ruim 5 procent bedroeg.

In de tweede plaats wordt gekeken naar het wisselkoersrisico van de nationale munt. Een harde valuta als de Duitse mark of de Nederlandse gulden levert voor beleggers minder kans op koersverlies op dan een riskante munt als de Italiaanse lire. En ten slotte wordt de kredietwaardigheid van het land (het landenrisico) beoordeeld. De kredietwaardigheid hangt af van zaken als: hoe staat het land er economisch voor en hoe is het gesteld met de politieke stabiliteit? Landen als Japan, Duitsland, Nederland en de Verenigde Staten worden beschouwd als zeer betrouwbare debiteuren. Landen die minder goed worden beoordeeld, zoals veel Oosteuropese en Latijnsamerikaanse economieën, betalen daarvoor met een hoog rentepercentage.

De tabel laat ook zien dat de rente in veel landen op dit moment een stuk lager is dan een jaar geleden. Die algemene rentedaling wordt vooral veroorzaakt door de zwakte van de wereldeconomie. Consumenten die weinig vertrouwen hebben in de economische toekomst, steken zich minder in de schuld voor bij voorbeeld een nieuwe auto. En producenten stellen hun investeringen uit. In dat opzicht werkt de kredietmarkt net als andere markten: als de vraag daalt, bij een gegeven aanbod, zakt de prijs.

Toch profiteert niet ieder land even sterk van de gedaalde rente. In Italië en Spanje is de kredietprijs zelfs gestegen. Nederland komt er goed vanaf, zoals de tabel laat zien. De kapitaalmarktrente ging van 8,20 naar 6,57 procent: een daling van 20 procent. Ons land heeft daarmee, op Zwitserland na, de laagste rente in Europa. Die lage rente hebben we te danken aan de internationale kracht van de Nederlandse gulden en de lage inflatie. Dat die twee factoren veel met elkaar te maken hebben, werd onlang weer eens in de praktijk gedemonstreerd.

In september vorig jaar liepen de spanningen in het Europees Monetair Stelsel (EMS) hoog op. De Spaanse peseta moest devalueren. En de Italiaanse lire en het Britse pond werden gedwongen het EMS te verlaten. Maar de gulden bleef fier overeind. De koersstijging van de gulden maakte Nederlands produkten duurder voor het buitenland. Dat was een nadeel. Maar daartegenover stond dat de Nederlandse invoer goedkoper werd. Die goedkopere invoer van grondstoffen, halffabrikaten en eindprodukten matigt de prijsinflatie bij ons.

De gedaalde rente is een lichtpuntje in deze sombere economische dagen. Het gaat niet goed met de Nederlandse economie. De produktie groeit nauwelijks meer en de werkloosheid loopt op. Op een groei-injectie uit het buitenland hoeven we de eerstkomende tijd niet te hopen, want ook in de rest van Europa staat de conjunctuur er treurig bij. En ook de overheid heeft geen financiële ruimte om de economie aan te jagen. Aan een belastingverlaging valt voorlopig niet te denken. Er moet al extra worden bezuinigd om het overheidstekort niet te veel te laten stijgen. Dan moet de impuls maar van de rente komen.