Regeringspartijen: vermogensbelasting bedrijven schrappen

DEN HAAG, 25 MAART. De fracties van CDA en PvdA willen de belasting op bedrijfsvermogens geleidelijk afschaffen en investeringen in technologie stimuleren. Zij nemen gezamelijk initiatief tot wijziging van een aantal belastingwetten om de werkgelegenheid te stimuleren.

Dat bleek vanmorgen uit de bijdrage van het Kamerlid Van Gelder (PvdA) tijdens een overleg in de Tweede Kamer met minister Andriessen (economische zaken).

Alle fracties toonden zich bezorgd over de verslechtering van de werkgelegenheid. Volgens het Centraal Planbureau daalt in 1993 en 1994 de werkgelegenheid met respectievelijk 17.000 en 7.000 arbeidsjaren. In de periode 1990-1992 nam de werkgelegenheid nog met gemiddeld 77.000 arbeidsjaren per jaar toe.

CDA, PvdA, en VVD riepen het kabinet op om bij de bezuinigingen van 7,5 miljard gulden volgend jaar de overheidsinvesteringen te ontzien. Gisteren maakte minister Kok (financiën) in de Kaderbrief - de eerste aanzet voor de begroting van 1994 - bekend dat hij de komende jaren een bedrag van 7 à 10 miljard gulden vrij maken voor stimulering van de overheidsinvesteringen.

Het Kamerlid Rempt (VVD) hekelde de brief over het industriebeleid in de jaren negentig die minister Andriessen een maand geleden naar de Tweede Kamer heeft gestuurd. Alleen in “majeure gevallen met een uitzonderlijk karakter” worden ondernemingen met financiële problemen - die geen aanspraak kunnen maken op bestaande regelingen - door de overheid geholpen. Rempt: “De minister moet ophouden om op ad hoc basis zelf even uit te maken of iets een majeur geval is”. Het liberale Kamerlid pleitte voor een neutrale commissie van externe deskundigen die aan de hand van scherpe criteria een beslissing neemt over steun. In de brief staat “niet veel meer dan een korte samenvatting van de randvoorwaarden voor een bloeiend bedrijfsleven. Dat weten we nu wel. De uitwerking wordt aan het volgende kabinet overgelaten”, aldus Rempt. Die in deze opvatting werd gesteund door de fractie van D66.

Volgens het Kamerlid Rosenmöller (Groen Links) is de brief over het industriebeleid “op het lijf geschreven van Philips”. Hij vroeg Andriessen of het gerucht waar is dat Philips het ministerie van economische zaken heeft benaderd voor overheidssteun.

Rosenmölller wil dat de voorwaarden waarbij een onderneming een beroep kan doen op de binnenkort operationele Industriefaciliteit worden uitgebreid. “Een van de voorwaarden moet zijn dat de onderneming niet milieuvervuilend is en bijdraagt aan een duurzame ontwikkeling”, aldus Rosenmöller. De nieuwe financieringsfaciliteit is bestemd voor middelgrote en grote bedrijven die de kern vormen van een cluster van hoogwaardige activiteiten op het gebied van technologie, werkgelegenheid, kennisinfrastructuur en toeleveranciers. Op dit moment beschikt de Industriefaciliteit over 660 miljoen gulden. Daarvan is 200 miljoen gulden afkomstig van Economische Zaken, 200 miljoen van de banken en 200 miljoen van verzekeringsmaatschappijen. De Nationale Investeringsbank heeft toegezegd dat tien procent van de verstrekte financieringen voor eigen rekening zullen worden verschaft. Andriessen heeft de Tweede Kamer eerder gemeld ook op 200 miljoen van de pensioenfondsen te rekenen.

CDA-woordvoerder Van Iersel toonde zich zeer ingenomen met de nieuwe faciliteit omdat de grote EG-landen “ondanks Maastricht” hun eigen industrieën steunen waarbij het accent verschuift van directe naar indirecte steun.

Van Gelder (de "geestelijk vader' van de faciliteit) vroeg Andriessen een voorziening te treffen voor de kleine industriële starters die nu buiten de boot vallen. Hij herhaalde zijn pleidooi van een zogenoemd wig-participatie-akkoord, waarbij werkgevers en werknemers afspraken maken over loonmatiging, werkgelegenheid en investeringen in scholing en de kwaliteit van de arbeid. Sociale partners moeten hun “bezorgdheid over de economische structuur en werkgelegeneheid vertalen in een geloofwaardig beleid”, aldus Van Gelder. Hij onderstreepte dat industriepolitiek “per se geen stroppenbeleid” is. “Industriepolitiek is bovenal het versterken van de ecoonomische structuur van ons land.”