Politieleiding ziet "democratisch gat'

Deze week rondde de Tweede Kamer de plenaire behandeling van een nieuwe Politiewet af. Honderdveertig gemeentelijke korpsen en de zeventien disctricten van de rijkspolitie moeten samengaan in een regionaal bestel. Geen kleinigheid dus, te meer daar het politiebestel al meer dan een eeuw inzet is van een spreekwoordelijke "stammenoorlog' tussen justitiële en bestuurlijke autoriteiten. Dat moet wel een spannend debat zijn geweest, zou men zeggen. Maar dat viel knap tegen. Een alsnog ingelaste extra commissievergadering over een karrevracht amendementen kon niet verhullen dat de fusie ten tijde van de plenaire behandeling in feite al was beslecht: de regio's waren ingedeeld, de beoogde korpschefs en -beheerders aangewezen. Zelfs het nieuwe logo was al gekozen, zij het nog niet direct een succes. De opwinding die de Kamer aan den dag legde over de doelmatige besteding van politietijd kreeg daardoor iets van een bliksemafleider.

Het nieuwe politiebestel is niet het enige grote project waarbij de wet als mosterd na de maaltijd komt. Op vergelijkbare wijze passeerde eerder dit jaar een ander groot project de Kamer: het landelijke electronische netwerk voor de bevolkingsboekhouding GBA (gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens). Ook dit project had een omstreden verleden; plannen voor inrichting van een Centrale Personenadministratie (CPA) met bijbehorend persoonsnummer voor iedere burger hadden in de jaren zeventig gezorgd voor veel opwinding over de privacy van de burgers en de autonomie van de gemeenten. Zo'n electronische Big Brother is in elk geval toch goed voor spanning tot het laatst, zou men denken. Maar alweer, de race was in feite reeds gelopen. Het systeem draaide al proef terwijl de Kamer sprak over de wettelijke voorwaarden.

Een vergelijkbare methode dreigt nu gevolgd te worden bij de algemene herziening van de rechterlijke organisatie, een aangelegenheid van constitutioneel kaliber. De minister van justitie houdt op verzoek van de Kamer een omstreden punt als de integratie van de kantongerechten in de rechtbanken open, maar intussen wordt er met man en macht aan gewerkt. De reorganisatie betreft de gehele rechterlijke macht van hoog tot laag, maar wordt behandeld in losse "tranches' - een ander woord dus voor een salamitaktiek. Zoiets getuigt niet van veel respect voor de Kamer als medewetgever.

In alle drie de voorbeelden speelt minister Hirsch Ballin van justitie een belangrijke rol, nota bene de grote propagandist van zorgvuldige wetgeving. Hij verdedigt de samenloop van projectontwikkeling en wetgeving met een beroep op de “maatschappelijke urgentie” maar wil wel toegeven “dat dit er niet op mag uitdraaien dat Tweede en Eerste Kamer van de Staten-Generaal voor het blok worden gezet”. Als remedies noemt hij het geven van opening van zaken door de regering en, zoals in het geval van de politie, een interimwet. Deze laatste kwam er echter pas nadat de zaak in het regeerakkoord was dichtgespijkerd. Geen wonder dat deskundigen van diverse snit termen hebben gebruikt als “fusiefuik”, “overrompelingstaktiek” en “strategie van voldongen feiten”. Zo konden ook belangrijke kwesties tussen wal en schip vallen, zoals de verhouding tussen gezag en beheer over de politie. Formeel raakt de nieuwe wet niet aan de gezagsverhoudingen, de burgemeester voor de handhaving van de openbare orde en de officier van justitie voor de opsporing van strafbare feiten. Het gaat alleen om het beheer over de politie en de nieuwe wet zou volgens de regering dan ook niet “de wezenlijke macht over de politie” tot voorwerp hebben. Hij zou integendeel uitgaan van “onderschikking van beheer aan gezag”.

Als dat werkelijk zo is, zegt de Nijmeegse hoogleraar Hennekens, dan zou ook de beheerder ondergeschikt dienen te zijn aan de gezagsdrager. Met name de zeggenschap van het lokaal bestuur is echter fiks gereduceerd (het zogeheten “democratisch gat”) ten faveure van de centrumburgemeester en de officier van justitie. En niet te vergeten de regiokorpschef. De regionale korpsen worden immers opgezet als “verzelfstandigde organisaties”, zoals CDA-senator Wagemakers het heeft uitgedrukt. Waarom heeft het kabinet trouwens zo doorgeduwd als het niet om een wezenlijke kwestie ging? De CDA-senator toonde zich met reden niet onder de indruk van de officiële geruststelling: “Beheer is geen beleidsneutrale bezigheid, maar biedt aanknopingspunten voor sturing”.

Verzelfstandiging belooft weinig goeds voor de toekomstige integratie van de politie in de nieuwe regionale organisatie van het binnenlandse bestuur waarover nu een motie in de Kamer ligt. Het is leuk dat dit gebaar Groen Links alsnog over de streep vermag te trekken, maar het kabinet heeft vorige maand nog duidelijk gemaakt dat het er voorlopig niet aan denkt de politie daarmee lastig te vallen. Dit onderstreept dat de nieuwe organisatievorm van de politie de afstand tot de burger vergroot. Het gevaar is niet denkbeeldig dat de politieleiding het gat gaat proberen te vullen met “impression management”, zoals dat is genoemd door twee politie-onderzoekers. De Tweede Kamer voelde kennelijk zelf ook nattigheid, getuige de vragen of de nieuwe politie-organisatie nu ook werkelijk meer politie op straat brengt. Nu wordt immers slechts een kwart van de sterkte aangewend voor direct-produktieve arbeid.

Tekenend was de reactie van de Amsterdamse hoofdcommissaris Nordholt, die als geen ander model staat voor de nieuwe rol van de politiechef als een soort publiekrechtelijke eenmanszaak. Voor de televisie waste hij de CDA-afgevaardigde Van der Heijden publiekelijk de oren. De politiek zou de politie eindelijk eens de middelen moeten geven haar werk te doen in plaats van haar steeds maar de oude gegevens van meer dan tien jaar geleden na te dragen. Nordholt doelde op een rapport uit 1979 waaraan hij zelf als lid van een befaamde projectgroep-Jonge Turken heeft meegewerkt en waarin voor het eerst werd gewaarschuwd voor de mis-match tussen uitvoerende en ondersteunende taken. Sindsdien is er heel wat aan de inrichting van het politiewerk gesleuteld. Maar nog in 1991 werd een verhouding gemeld van 3 à 4 uur ondersteuning op elk uur primaire politie-arbeid. In guldens was het verschil nog scherper: tegen elke gulden voor het primaire proces staat vijf à zes guldens ondersteuning. Het was voor de politiechef geen beletsel alvast een flinke financiële claim te leggen op de volgende kabinetsformatie.

En dat is bij alle verfrissende openhartigheid de omgekeerde wereld. Misschien dat dit toch iets te maken heeft met omgekeerde wetgeving zoals in het geval van de Politiewet.