Onderwijsexpansie heeft sociale verschillen toch verkleind

In een interview aan Warna Oosterbaan, verwerkt in diens W&O artikel Schoolgaan in Stromenland (25 febr.), verklaarde ik dat wanneer de huidige trends zich doorzetten, we kunnen verwachten dat milieuspecifieke selectie in het onderwijs in Nederland over dertig jaar verdwenen zal zijn.

Gecombineerd met de trend dat verschillen in arbeidsmarktkansen tussen hoger en lager opgeleiden groter aan het worden zijn, zou je kunnen zeggen dat Nederland hard op weg is het scenario van Michael Youngs The Rise of Meritocracy (verschenen in 1958) te verwezenlijken: er ontstaat een samenleving met een hoge mate van sociale mobiliteit tussen ouders en kinderen, maar wel een waarin de sociale kansen van lager en hoger opgeleiden sterk vastliggen. Ik wees er daarbij ook op dat in twee recente publikaties over onderwijs en ongelijkheid, het Sociaal en Cultureel Rapport 1992 van het Sociaal en Cultureel Planbureau, en het mede ten behoeve van de Wiardi Beckmanstichting uitgebrachte boek Een school om te kiezen van Hans Wansink volkomen wordt voorbijgegaan aan de inmiddels al wat langere tijd ter beschikking staande empirische analyses waarin deze trends naar voren komen.

In een ingezonden brief op 11 maart wijst L. Herweijer van het Sociaal en Cultureel Planbureau de suggestie van de hand dat men aldaar het "laatste nieuws' gemist zou hebben.

In een uitgebreide reactie op 18 maart vat Hans Wansink zijn boek Een school om te kiezen nog eens samen om mijn stellingen te bestrijden. Hij meent dat het "gezichtsbedrog is dat het onderwijs toch sociale verschillen vermindert' en acht het "uitermate onwaarschijnlijk dat over dertig jaar het effect van ouderlijk milieu op het opleidingspeil van kinderen is verdwenen'. Dit kan volgens hem niet zo zijn omdat "intelligentie voor minstens de helft genetisch bepaald is', "nature en nurture elkaar versterken', en volgens SCP-cijfers "het percentage arbeiderskinderen dat kiest voor de hogere vormen van voortgezet onderwijs onverminderd laag blijft'. Ook heeft "vijftien jaar onderwijsstimuleringsbeleid geen enkel meetbaar resultaat opgeleverd.' Volgens hem zijn er geen merkbare verschuivingen opgetreden in de onderwijskansen van kinderen uit verschillende milieus.

Behalve op een overzichtsartikel van de onderwijssocioloog Dronkers van bijna 10 jaar geleden beroept hij zich in zijn reactie op de gegevens uit het Sociaal en Cultureel Rapport 1992, waarin onder meer geschreven staat dat "de grote verschillen die kenmerkend waren voor de jaren zestig niet veel verminderd zijn in de afgelopen 25 jaar.' Deze conclusie wordt getrokken op grond van een tabel in het SCR 92 waarin de instroom van 12-jarigen in twee vormen van het voortgezet onderwijs (LBO versus HAVO/VWO) tussen 1965 en 1989 wordt vergeleken. Ook Herweijer schuift deze cijfers nog eens naar voren. Ik vind dat ze bij het SCP hun cijfers nog maar eens goed moeten nakijken. Als ik de betreffende tabel analyseer, vind ik wel degelijk een geleidelijke trend naar grotere gelijkheid tussen de milieus. Ultee heeft in Mens en Maatschappij al gewezen op de gebrekkige wijze waarop het SCP conclusies aan deze gegevens verbindt. Belangrijker is echter dat het type cijfers dat het SCP presenteert niet het juiste type is. Wat deze cijfers namelijk niet laten zien, zijn twee ontwikkelingen in de Nederlandse samenleving die beide het proces naar grote gelijkheid versterken.

Ten eerste is het van belang dat de beroepenverdeling in de samenleving nogal verandert. Dit geldt ook voor de beroepen van de ouders van schoolgaande jongeren. Ook al zou het verschil in kansen tussen arbeiderskinderen en kinderen van hogere milieus wèl hetzelfde zijn gebleven als vroeger, dan nog verandert de kansenstructuur van de samenleving als totaal, doordat er tegenwoordig veel minder arbeiderskinderen zijn dan vroeger. Dat komt doordat er nu veel minder arbeiders zijn dan vroeger. Het gevolg daarvan is dat het verschil in kansen tussen kinderen van lagere en hogere employées meer bepalend wordt voor het totaal in kansen in het onderwijs en deze verschillen zijn nu eenmaal kleiner dan het verschil in kansen tussen kinderen van arbeiders en employées.

Een tweede belangrijke ontwikkeling is dat de door het SCP bestudeerde keuze (de schoolkeuze op 12-jarige leeftijd) in veel mindere mate dan vroeger het punt is waarop de belangrijke beslissingen vallen. Was voorheen deze keuze vaak allesbepalend voor het uiteindelijk eindniveau - omdat de meesten na de lagere school nog maar één vervolgopleiding volgden - tegenwoordig verblijven de meeste kinderen veel langer in het onderwijs en moeten ze vaker en op latere leeftijd nogmaals keuzes maken. Als velen vòòr hem lijkt Wansink ten onrechte het keuzeproces in het onderwijs als een deterministisch zeef te beschouwen, waar een eenmaal aan het begin gemaakte keuze (bijvoorbeeld voor het LBO) later nooit meer goed te maken valt.

De trend in de milieuspecifieke kansen bij de keuze tussen LBO en HAVO-VWO is in feite tamelijk onbelangrijk in vergelijking met de trend in het aantal leerlingen dat voor het LBO kiest. Lang voordat de voorspelde gelijkheid van keuze tot stand zal komen, zal het aantal leerlingen dat voor het LBO kiest zijn aanbeland onder de 10% van de 12-jarigen. Daarmee is dit verschil in milieuspecifieke kansen grotendeels irrelevant geworden en moeten we ons richten op keuzes die verderop in de schoolloopbaan worden gemaakt. Uit onderzoek blijkt algemeen dat keuzes minder milieuspecifiek uitvallen, naarmate ze verderop in het schoolloopbaan worden genomen.

Natuurlijk heeft SCP-medewerker Herweijer gelijk als hij opmerkt dat het bestuderen van het uiteindelijk behaalde onderwijsniveau (waarvoor ik pleit) "oud nieuws' oplevert, omdat men dit pas kan doen wanneer de betreffende personen het onderwijs definitief verlaten hebben. Maar dat mag toch geen reden zijn om geen acht te slaan op de uiteindelijke uitkomst? Tegenover zijn bewering dat analyses van afgesloten schoolloopbanen "oud nieuws' opleveren, kan gesteld worden dat analyses van in gang zijnde loopbanen "voorbarige conclusies' in omloop brengen, althans in de vorm waarin het SCP dat nu gedaan heeft.

Wansink stelt dat er in het onderwijs weinig te merken is van het effect van beleid dat zich gericht heeft op grotere gelijkheid in kansen. Hij vermeldt het mislukken van schoolcompensatieprogramma's. Als verklaring voert hij een klassiek argument uit de ongelijkheidsdiscussies aan: de erfelijkheid van intelligentie, die volgens zijn inzichten ten minste 50% zou bedragen. Ik wil me niet wagen aan een ontkenning van dit cijfer. Wie er wat over wil weten, kan wat mij betreft goed terecht bij het recent herdrukte boek van Piet Vroon, Intelligentie. Met Vroon ben ik van mening dat 100 jaar intelligentie-onderzoek ons maar weinig zekerheden over de erfelijkheid ervan heeft opgeleverd. Bovendien, wie veronderstelt dat men in het onderwijs alleen vorderingen kan maken op basis van genetische intelligentie, impliceert dat andere eigenschappen, zoals doorzettingsvermogen, sociale vaardigheid, een goede leraar, stimulerende klasgenoten en geluk helemaal niets uitmaken, en dat ook al niet deden toen de ouders hún loopbaan doormaakten. Dat lijkt me heel onaannemelijk en ook allerminst aangetoond. Integendeel. Anders dan de erfelijkheid van intelligentie is de samenhang tussen (vroeg) gemeten intelligentie en later behaald onderwijsniveau wel gemakkelijk te onderzoeken - en die samenhang blijkt steeds verre van perfect te zijn.

Hoewel Wansink gelijk heeft wanneer hij stelt dat er weinig successen te melden zijn van expliciete beleidsgroepen als compensatieprogramma's, vallen er toch ten minste drie dingen in het voordeel van het overheidsbeleid te zeggen. Allereerst de spectaculaire expansie van het onderwijs: steeds meer Nederlandse jongeren verblijven steeds langer in het onderwijs. Het royale overheidsbeleid heeft ervoor gezorgd dat velen zich dit konden veroorloven; van financiële drempels is weinig te merken. Deze onderwijsexpansie leidt min of meer automatisch tot democratisering van onderwijskansen.

Ten tweede is van belang dat de onderwijsexpansie in Nederland er op neerkomt dat de opkrikking van het minimumniveau sneller verloopt dan aan de top. De gehele onderwijsverdeling van de Nederlandse bevoiking wordt als het ware van beneden af aan naar boven gedrukt. Ook dat heeft ertoe bijgedragen dat de selectiviteit naar milieu is teruggedrongen: de uitersten zijn als het ware dichter bij elkaar komen te liggen.

Ten derde is het aannemelijk dat juist bepaalde beleidsmaatregelen (mammoetwet, integratie schooltypen) het aantal keuzemomenten in het onderwijs vergroot hebben en naar verderop in de schoolloopbaan hebben verschoven.

Elk van deze ontwikkelingen kan men ook betreuren, in het bijzonder vanuit het oogpunt van efficiëntie en kostenontwikkeling. Maar ze hebben de democratisering van het onderwijs wel goed gedaan.