Moskou tipte Westen in 1977 over test Zuidafrikaanse bom

Het vermoeden dat Zuid-Afrika de beschikking heeft (gehad) over kernwapens is gisteren dan eindelijk bevestigd door president De Klerk. In augustus 1977 waarschuwde de Sovjet-Unie het Westen er al voor dat de Zuidafrikaanse autoriteiten bezig waren met de voorbereidingen van een kernproef in de Kalahariwoestijn. Het persbureau Tass maakte er wereldnieuws mee. Satellieten van de Sovjet-Unie hadden die voorbereidingen waargenomen en dank zij Westerse druk op de regering in Pretoria wist men te voorkomen dat de proef daadwerkelijk doorging.

De toenmalige premier, John Vorster, verklaarde daarop dat zijn land bereid was met de Verenigde Staten te gaan praten over toetreding tot het non-proliferatieverdrag, het verdrag tegen de verspreiding van kernwapens. Vooral de Amerikaanse president Carter maakte zich in die jaren sterk voor een effectief tegengaan van de verspreiding van kernwapens. Vorster voegde aan zijn toezegging wel een waarschuwing toe dat alle landen op dezelfde manier moesten worden behandeld. Anders zou er een moment kunnen komen waarop Zuid-Afrika zou zeggen: “Tot hier en niet verder - jullie kunnen naar de duivel lopen.” Een jaar later kwam een speciale Amerikaanse ambassadeur, Gerard Smith, naar Pretoria om over de kwestie te praten.

Een aanwijzing dat er desondanks geen einde was gekomen aan het Zuidafrikaanse nucleaire-wapenprogramma volgde twee jaar later: een Amerikaanse satelliet nam op 22 september 1979 een lichtflits waar boven het zuiden van de Atlantische Oceaan. Direct was er het vermoeden dat er sprake was van een proefexplosie van een kernbom. Maar de Zuidafrikaanse minister van buitenlandse zaken, Roelof Botha, reageerde uiterst verontwaardigd op die suggestie en noemde het hele verhaal verzonnen: “Het is mogelijk dat een andere mogendheid een proef heeft genomen. Zuid-Afrika was het zeker niet. Waarom vragen jullie het niet aan de Russen of de Chinezen?” Enkele jaren later onthulde een Washingtons bureau dat zich bezighield met de ontwikkelingen in Afrika het bestaan van CIA-documenten die zouden bevestigden dat de kernbom, die een kracht van twee á drie kiloton TNT (de bom op Hiroshima was 12 kiloton TNT) zou hebben gehad, tot onploffing werd gebracht in een gezamenlijke Zuidafrikaans-Israelische test. De feiten zouden door de Amerikaanse regering echter zijn achtergehouden om de relatie met de twee landen niet te bederven.

Onlogisch waren de verdenkingen tegen Zuid-Afrika niet. Het land verkeerde toen in een steeds sterker wordend politiek isolement door zijn apartheidspolitiek, terwijl het over aanzienlijke hoeveelheden uranium beschikte, zowel in de eigen bodem als in het door Pretoria bestuurde Namibië. Dat uranium kon als instrument worden gebruikt om allerlei vormen van nucleaire samenwerking met andere landen op gang te brengen. Zuid-Afrika heeft geen eigen olie en kon ten gevolge van de economische boycot daar ook maar moeizaam aan kon komen. Kernenergie was dus een voor de hand liggend alternatief.

Sinds het midden van de jaren zestig heeft Zuid-Afrika de beschikking over twee onderzoeksreactoren, de Safari 1 en 2. Sinds 1975 kan het land zelf uranium verrijken met het geheel eigen Helicon-proces. In maart 1984 werd de kerncentrale "Koeberg' bij Kaapstad opgestart, die in tien procent van de energiebehoefte van het land ging voorzien. Doordat Pretoria het in 1970 van kracht geworden verdrag tegen de verspreiding van kernwapens (NPV) nooit had ondertekend, was het onmogelijk zicht te krijgen op wat Zuidafrikaanse technici precies deden. Dat verdrag voorziet in regelmatige inspecties van de splijtstofboekhouding om te voorkomen dat het nucleaire materiaal voor andere dan vreedzame doeleinden wordt gebruikt.

Het duurde tot 1987 voordat de Zuidafrikaanse regering de eerste stappen zette op weg naar de ondertekening van het NPV. Pretoria verklaarde zich toen in beginsel bereid tot toetreding, een stap die op dat moment mede werd ingegeven door pogingen van Afrikaanse landen om Zuid-Afrika uit het Internationale Agentschap voor Atoomenergie (IAEA) te zetten. Dat het allemaal nog niet van harte was, bleek wel uit de woorden die minister Botha in september van dat jaar in Wenen sprak bij het begin van de besprekingen met het IAEA: “Wij kunnen een nucleair wapen produceren als we dat willen.” Daarmee gaf hij expliciet toe dat Zuid-Afrika een zogenaamd drempelland was, een land dat de stap naar de kernwapens al half heeft gezet.

Uiteindelijk was het op 8 juli 1991 dat minister Botha het non-proliferatieverdrag tekende. Maar ook toen wilde hij niet bevestigen dat Zuid-Afrika ooit kernwapens zou hebben getest. Op een vraag daarover antwoordde hij: “Zover ik weet is het antwoord definitief, categorisch nee.” Als reden voor de ondertekening van het NPV gaf hij de sterk veranderde omstandigheden in zuidelijk Afrika en de rest van de wereld: “We hebben die potentiële afschrikking niet meer nodig, gezien alle dramatische veranderingen in de wereld, gezien de verminderde spanning in zuidelijk Afrika en in de rest van de wereld.”

Dat betekent dat Zuid-Afrika sinds die tijd al zijn nucleaire installaties openstelt voor inspectie. David Kyd, woordvoerder van het IAEA in Wenen, betoonde zich gisteravond in een vraaggesprek met de BBC uiterst tevreden met de manier waarop Zuid-Afrika aan de inspecties meewerkt. De autoriteiten leggen de inspecteurs geen strobreed in de weg. “We hebben zo'n honderd inspecties uitgevoerd en nooit is er iets voor ons achtergehouden of zijn we enigszins beperkt”, aldus Kyd. Enkele dagen eerder had Kyd wel bevestigd dat Zuid-Afrika bij de ondertekening van het NPV had toegegeven in het geheim uranium verrijkt te hebben tot het niveau dat noodzakelijk is voor het maken van kernbommen. Naar in Pretoria verluidt zou Zuid-Afrika dit spul nu aan de VS willen verkopen.

Door de mededeling van president De Klerk in het Zuidafrikaanse parlement is in elk geval weer een stukje van de nucleaire puzzel op zijn plaats gevallen. Een interessante vraag die nog beantwoord moet worden is of Zuid-Afrika ooit een van zijn kernwapens daadwerkelijk getest heeft. Volgens de Klerk is dat niet het geval, maar de twijfel daarover blijft.