Midden in het midden

Wat is toch het geheim van het CDA? Een vraag die al jaren weet te leiden tot de meest uiteenlopende bespiegelingen. Is het de ideologie, of toch gewoon de strategische positie die de partij altijd inneemt? Heden ten dage wordt het CDA vooral als "succesverhaal' beschouwd. Maar nog geen twee decennia geleden werd de christen-democratie betiteld als een "onvermijdelijk uitdovend politiek fenomeen'. Nu bezigen buitenstaanders tijdens een studiedag over het CDA woorden als "de modernste partij', en een "partij die respect afdwingt'.

Het is net als met de haarmode, die dan weer kort en dan weer lang is. De ene keer is het CDA een fenomeen, de andere keer een sterfhuisconstructie.

Het is duidelijk: de analyse van het CDA wordt gekenmerkt door een hoge mate van conjunctuurgevoeligheid. Een euvel dat zich overigens niet louter tot de boordeling van het CDA beperkt. Als het om trendmatig denken gaat, doen analisten en politici niet voor elkaar onder. Vandaar, elke poging om het CDA werkelijk te doorgronden lijkt al bij voorbaat tot mislukken gedoemd.

Het was de Utrechtse hoogleraar politieke geschiedenis Righart die het CDA vorige week vrijdag tijdens een op de Erasmus Universiteit georganiseerd symposium over de christen-democratie, de partij de modernste van Nederland noemde. Want het CDA was er toch maar in geslaagd zich te transformeren tot een “geseculariseerde middenpartij'. Een verdienste die hij bijna volledig op het conto van Lubbers schreef. Deze had tijdens de eerste jaren van zijn leiderschap voorkomen dat de partij de door zijn voorganger Van Agt aangewezen rechtse weg van het "ethisch reveil' in sloeg. Maar tevens hield Lubbers het CDA uit de buurt van de links-evangelische beweging. Zo kon het CDA op een “rustige manier deconfessionaliseren” en zich in het midden verankeren.

Het lijkt een zeer plausibele redenering die bovendien nog eens wordt bevestigd door het aantal Kamerzetels dat het CDA bezit. De christen-democraten die sinds het begin van de jaren zestig achter elkaar verkiezingsnederlagen hebben verwerkt, zitten sinds halverwege de jaren tachtig weer in de lift. Met ruim 30 procent van de stemmen heeft het CDA het grootste deel van het electoraat achter zich. Maar wat blijft er over van zo'n stelling als de jongste verkiezingspeiling bij het geheel wordt betrokken? Twaalf zetels verlies, voorspelde het NIPO vorige week voor het CDA. Natuurlijk is een peiling slechts een peiling, en de verkiezingen zijn de enige ... enzovoort, maar als er een dergelijke fluctuatie in de kiezersvoorkeur optreedt toont dat in elk geval aan dat ook het CDA over een belangrijk zwevend blok beschikt.

Stel dat de NIPO-peiling inderdaad de verkiezingsuitslag was geweest: het zou betekenen dat er voor het CDA in de Tweede Kamer nog maar 42 zetels te verdelen waren geweest. Hoe had dan de analyse geluid? Op dat moment zou weer met evenveel recht de theorie van het "onvermijdelijk uitdovend politiek fenomeen' kunnen worden opgepakt. De zin voor de geschiedenisboekjes laat zich gemakkelijk schrijven: “De neergang van het CDA werd in 1986 en 1989 kort onderbroken doordat de partij wist te profiteren van de populariteit van premier Lubbers. In 1994 zat de partij met 42 zetels echter al weer drie zetels onder het diepterecord van 1982”.

Is de verkiezingsnederlaag eenmaal daar, dan is ook het bewijs geleverd dat het succes van het CDA weinig te maken heeft met het ideologisch concept van de partij. Het CDA en zijn voorgangers (vooral de ARP) hebben altijd een tweesporenbeleid gekend. Op het ene spoor wordt de praktische politiek bedreven, op het andere spoor de ideologie. Bijna nooit rijden de treinen gelijk op. In tijden van succes levert dat geen problemen op, maar als het slecht gaat wordt direct de spanning voelbaar. Dan wordt de eigen ideologische weg ontmaskerd als "een mythe', zoals de politicoloog Van Kersbergen het vorige week noemde. Typisch weer zo'n mening van een buitenstaander, wordt dan al gauw in het CDA gezegd. Maar binnen de partij leeft die twijfel ook. Zo vroeg een partijcommissie zich twee jaar geleden af of het CDA niet “de neiging had eigen opvattingen al te gemakkelijk te relativeren”.

En dat is wat dagelijks gebeurt. De enige gelijkenis die de "lentebrief' van CDA-fractievoorzitter Brinkman met de bijbel vertoont is de nummering voor de diverse bezuinigingsposten. Want hoe verhouden goed rentmeesterschap en het schrappen van de milieu-inspanningen zich tot elkaar? De hongerigen moeten worden gevoed en de dorstigen gelaafd, zegt Mattheus, maar dat belet Brinkman niet nieuwe bezuinigingen op de begroting van ontwikkelingssamenwerking voor te stellen. Kortom, de eeuwige spanning tussen pragmatische zakelijkheid en ideologische zorgelijkheid.

In electorale termen vertaald is de zakelijkheid vooral voor de zwevende kiezer terwijl de ideologische zorgelijkheid is weggelegd voor de wortels. In die wortels is echter al sinds het begin van de jaren zestig een rottingsproces gaande. Niet de verantwoordelijke samenleving leverde het CDA de afgelopen twee verkiezingen stemmenwinst op, maar Lubbers. Nu alle partijen in het midden zitten en bovendien Lubbers als troefkaart wegvalt, krijgt het CDA het opeens weer moeilijker. Dan is het in de praktische politiek weer erg zoeken naar de "eigen weg'. Het CDA is een volkspartij met een eigen karakter, zei CDA-voorzitter Van Velzen vorige week tijdens het symposium. De kwalificatie middenpartij verwierp hij, want dat is vlees noch vis. “Een middenpartij is afhankelijk van anderen en dus volgend. Het CDA is vooruitlopend op de agenda”, aldus Van Velzen.

Voor een deel heeft hij gelijk. Het CDA heeft de toon gezet. Maar was dat een kwestie van zelf ontdekken, vooruitlopen op de agenda, of tijdig inkapselen van ideeën? Heeft Lubbers in het begin van de jaren tachtig niet behendig de neo-liberale trend opgepikt? Tegenwoordig is iedereen er tijdig bij. Zie het gekrieoel in het centrum. Met iedereen in het midden heeft een middenpartij het moeilijk. Midden in het midden gaan zitten is de logische reactie. Maar het verschil wordt dan wel steeds subtieler. Wellicht te subtiel voor een electoraat dat elk jaar meer seculariseert.