Linoleum is voor het milieu vriendelijkste vloerbedekking

Uit milieuoogpunt is een linoleumvloerbedekking de beste aankoop. Het wollen tapijt staat op de tweede plaats, op de voet gevolgd door een verende vinylvloerbedekking en, meteen daarachter, tapijt met een pool van polyamide. Dat blijkt uit het onderzoek van ir. Jose Potting van de vakgroep Natuurwetenschap en Samenleving, uitgevoerd op verzoek van de Wetenschapswinkel in Utrecht. Daar komen veel vragen binnen over de milieuvriendelijkheid van allerlei produkten.

Jose Potting onderzocht de problemen in de gehele levenscyclus van de vier meest verkochte soorten vloerbedekking, vanaf de benodigde grondstoffen tot en met de afvalfase. Volgens de onderzoekster blijven de meeste produktvergelijkingen erg oppervlakkig, omdat ze produkten alleen op een beperkt aantal punten vergelijken. Een goede levenscyclus- analyse geeft precies aan welke levensfase van het produkt het meest belastend is voor het milieu.

Op basis van literatuurgegevens en informatie van fabrikanten werd voor elk van de vier vloerbedekkingen een theoretisch "standaardprodukt' samengesteld met de meest voorkomende eigenschappen van dat type. Gekeken werd naar gebruik van grondstoffen, hulpstoffen, energie, emissies van vervuilende stoffen naar water, lucht en bodem, en het vaste afval dat ontstaat.

Welk van deze milieu-effecten men dan het zwaarst laat wegen blijft uiteraard een subjectieve keuze, maar de onderzoekster had het geluk dat ze niet voor dit dilemma kwam te staan. Linoleum bleek namelijk op vrijwel alle fronten het beste te scoren en wollen tapijt kwam vrijwel steeds op de tweede plaats, behalve als het ging om de vermesting, vooral veroorzaakt door de Nieuw-Zeelandse schapenhouderij.

Linoleum heeft een gemiddelde gebruiksduur van vijftien jaar, tweemaal zolang als de andere onderzochte vloerbedekkingen. Het bestaat _ afgezien van de pigmenten _ uit natuurlijke grondstoffen. Deze kleurstoffen maken vijf procent van het gewicht van linoleum uit, maar vergen 20 procent van het energieverbruik.

Verend vinyl bestaat uit een aantal lagen verschuimd vinyl op een dragermateriaal (meestal glasvlies). De schuimlagen bestaan uit PVC, weekmakers, vulstof (doorgaans kalksteen), en additieven waaronder stabilisatoren en pigmenten. Het kalksteen wordt door middel van dagmijnbouw uit kalkmijnen gewonnen, de additieven kunnen op diverse manieren worden geproduceerd. In het milieuprofiel springt vooral de luchtvervuiling eruit, die zowel ontstaat bij de fabricage als bij de verbranding van de afgedankte, PVC-houdende vloerbedekking.

Tapijten bevatten stikstofverbindingen in de pool, die bij verbranding voor uitstoot van stikstofoxides zorgen. Daarnaast zorgt het wassen van de wol voor een wollen tapijt voor verontreiniging van het oppervlaktewater.

De milieubelasting van het leggen en het onderhouden van de vloerbedekkingen zijn bij het onderzoek buiten beschouwing gelaten. Het onderhoud is zo sterk van de gebruiker afhankelijk, dat een goede analyse niet mogelijk is.

Jaarlijks kopen de Nederlanders 65 miljoen vierkante kilometer vloerbedekking, waarvan de helft in woningen terechtkomt. Volgens de onderzoekster zou de overheid de aanschaf van milieuvriendelijk linoleum kunnen stimuleren door een systeem van heffingen. Belangrijker vindt ze het dat nu de grootste milieu-knelpunten in de levenscyclus van de vloerbedekkingen zijn opgespoord. ""Het zou mooi zijn als bijvoorbeeld fabrikanten dit oppikken'', aldus Jose Potting. ""Verrassend bijvoorbeeld vond ik dat voor wollen tapijt, waarbij de vele lusjes op de rug worden vastgeplakt, een synthetisch kitmiddel wordt gebruikt dat zeer veel energie vraagt. Meestal betreft het een mengsel van styreenbutadieenrubber en kalksteen. Bij geweven tapijt is geen kitmiddel niet nodig, terwijl toch eenzelfde effect wordt bereikt. Verder zou er meer onderzoek naar recyclingsmogelijkheden moeten komen. Door recycling van de grondstoffen voor vinyl en tapijt, wordt het milieuprofiel een stuk gunstiger.''

Bij het onderzoek is gebruik gemaakt van de Methodiek voor de milieugerichte levenscyclus-analyse van produkten, ontwikkeld door het Centrum voor Milieukunde in Leiden.