Leegwaaien aan de schaterzee

De Vlaamse kust maakt zich op voor de zomer. Langs de zevenenzestig kilometer lange zandstrook die vanaf Het Zoute loopt, vlak bij de Nederlandse grens, tot aan De Panne in het zuiden, boent, boort en timmert men er op los. Strandcabines worden weer zuurstokroze, de ijscotent aan de boulevards krijgen hun strepen terug, roestplekken op de "billekarren' worden weggeschuurd, de laatste appartementen voor het hoogseizoen verhuurd. Honderdduizenden zullen de komende maanden weer als sprinkhanen over de Vlaamse stranden uitzwermen, op zoek naar het zee-gevoel.

Bij de Dienst voor Toerisme in De Panne, het Belgische kustplaatsje dat op drie kilometer afstand van de Franse grens ligt, vertelt men met genoegen het volgende verhaal. Een Hollander die aan het eind van de achttiende eeuw langs de Belgische kust naar Frankrijk reisde, zou, toen hij bij De Panne aankwam, in zijn dagboek hebben genoteerd: “Wanneer het mijn lot ware, hier tussen deze dorre en verlaten zandhopen te wonen, zou ik alle dagen om de dood bidden.” Trots wijst men bij de Dienst de plaatjes in de folders aan. De dorre en verlaten zandhopen van vroeger zijn veranderd in een badplaats met dure winkelstraten, een twee kilometer lange boulevard om te flaneren, torenhoge appartementencomplexen, een vloot van bijna honderd zeilwagens en tientallen amusementshallen. Een plek om je dood te wensen is De Panne al lang niet meer volgens velen: met zijn bij eb liefst vijfhonderd meter brede, "blonde' strand is het uitgegroeid tot een van de populairste bestemmingen aan de Vlaamse kust.

Sinds de achttiende eeuw is er meer in De Panne veranderd dan alleen de vissersbevolking die wegtrok. De hele mentaliteit ten opzichte van de zee en de kust wijzigde zich. Tijdens de Verlichting en de Romantiek ontstond er een gevoel dat de Franse historicus Alain Corbin eens heeft omschreven als "het verlangen naar de kust'. De moderne hoogbouw die zich niet alleen in De Panne verheft maar zich langs de zevenenzestig kilometer lange Vlaamse kust uitstrekt - bijna onafgebroken tot aan Knokke en Het Zoute in het noorden - is, in al zijn hevige lelijkheid, geboren uit dit sentiment.

In veel proza en poëzie uit de late achttiende, negentiende en twintigste eeuw vind je het verlangen naar de kust beschreven en verklaard. Het mooiste voorbeeld is, wat mij betreft, nog steeds Herman Melvilles Moby-Dick, or the Whale uit 1851. Hoe komt het, vraagt Ismaël, de verteller van het boek, zich af, dat je op een mooie zaterdagmiddag "duizenden en duizenden stervelingen aan de waterkant ziet staan, verzonken in oceanische bespiegelingen'? Niets, zo blijkt, is deze dromende landrotten te dol: om meer van de zee te zien, klimmen ze in de wanten van aangemeerde schepen, ze leunen zo ver voorover tegen de meerpalen dat ze in het water dreigen te vallen en stellen zich in het algemeen alleen "met de laatste begrenzing van het land tevreden'. De verklaring die Ismaël voor de betoverende aantrekkingskracht van de zee geeft is kort: in de golven zien mensen de afbeelding weerspiegeld van "het ongrijpbare fantoom dat leven heet'. Ook Heinrich Heine vertoeft graag aan zee. Maar anders dan Melville/Ismaël zoekt hij niet "het leven', maar vooral "zijn eigen ziel' in het water. Zijn getuur vanaf een rots in de golven is niets anders dan zelfonderzoek, gewroet in zijn eigen emoties en verwachtingen. Geconfronteerd met de eindeloze ruimte van de zee leert Heine zichzelf kennen.

De Vlaamse kust kent zijn eigen kunstenaars, dichters en schrijvers. Het gebied is, met zijn brede zandstranden, zijn rechte, in het geheel niet raadselachtige kustlijn en zijn horizon waar lucht, water en aarde in elkaar lijken te versmelten, de plaats bij uitstek om tot inkeer te komen. De kunstenaar Frans Masereel, in 1889 in Blankenberge geboren, ervaart het als een verlichting, vertelt hij zijn vriend Romain Rolland, om in een klein vissersdorp te wonen. “Sinds ik over zee kan uitkijken, schijnt het mij toe dat de mensen, met al hun kleinzielige intriges, hun viezigheid etc ..., armzalige microben van de laagste soort zijn.”

Een vakantie aan de kust vereist fysieke inspanningen. De prijs voor een fraai uitzicht vanaf een hoge duin is gehijg en gesteun en schoenen gevuld met zand. Wie gaat zwemmen, moet zich schrap zetten tegen de golven en op zijn hoede zijn voor het getij dat, zeker zo dicht bij het nauw van Calais, behoorlijk kan zuigen. Het verblijf aan zee is daarom ook bijna altijd therapeutisch.

De bekendste "zeedichter' van België, Karel van de Woestijne, die jarenlang schuin tegenover de schilder Ensor in de Vlaanderenstraat in Oostende woonde, schreef mooie gedichten over de lichamelijke sensaties aan "schater-zee' - zoals hij haar noemde. Distels in zijn broek, water op de stoep bij stormtij en een "woelig-joelgen wind die wuift en wapper-waait' en zijn gezicht als een degen "doorkraauwt' en striemt: het kan Van de Woestijne allemaal niet deren. Het nauwe contact met de elementen, die hij ook 's nachts vanuit zijn huis achter de zeedijk hoort, heeft een bezielende en helende werking op hem. Dagelijkse zorgen worden gereduceerd tot muizekeutels. Zijn verlangen om op te gaan in de oneindige wolkenluchten, het water, de zon - alle elementen om hem heen die zo veel machtiger aan de kust dan in het binnenland zijn - groeit met de dag.

Sinds Van de Woestijne zijn gedichten en Masereel zijn brieven schreef, is de Vlaamse kust het tegendeel van leeg en stil geworden. Met de opkomst van het massa-toerisme in de jaren vijftig en zestig van deze eeuw, zijn de voorwaarden voor een therapeutisch verblijf aan zee, zoals de romantici dat zagen, verdwenen. Maar dat wil niet zeggen dat het verlangen ook weg is.

De Provinciale Dienst voor West-Vlaanderen schat dat aan de Belgische kust jaarlijks tussen de twintig en zesentwintig miljoen overnachtingen worden geboekt. Het aantal "frigobox-toeristen' - de term waarmee de Knokkense burgemeester Leopold Lippens een paar jaar geleden de dagjesmensen smalend aanduidde - kan in de zomermaanden juli en augustus oplopen tot zo'n half miljoen per dag. Rijen dik liggen de mensen op het strand, baden pootje en doen aan ander strandvertier: gokken, surfen, strandzeilen, vliegeren, skelteren, kuieren op de pier van Blankenberge en zandkastelen bouwen.

Als je vanaf de Nederlandse naar de Franse grens rijdt over de Koninklijke Baan - de weg die parallel aan de Belgische kust loopt - lijkt het alsof je geen verschillende plaatsen passeert, zo aaneengesloten is de kustbebouwing. De duinen zijn, uitgezonderd die bij de Westhoek bij De Panne en Het Zwin bij Knokke, geëgaliseerd en tot op het bot verkaveld en geëxploiteerd. De enkele oude villa's en hotels, die nog herinneren aan tijden dat een bezoek aan zee alleen voor een rijke elite was weggelegd, staan zieltogend te wachten op de slopershamer.

Wie vanaf zee de haven van Zeebrugge en Oostende nadert, ziet een muur van hopeloze begeerte aan de horizon opdoemen. Als onderdelen van een enorm kunstgebit doemen de appartementen onder, naast en boven elkaar op. Grote spiegelruiten blikkeren de zee tegemoet. Zo veel mogelijk mensen, licht en lucht gepropt op zo min mogelijk vierkante meter. Het klinkt paradoxaal dat juist uit het verlangen naar zee, uit de bewondering voor het kustgebied, het troosteloze Vlaamse waterfront is ontstaan. En hoe lelijker dit front wordt, hoe harder de zee lonkt.

Op het zevenenzestig kilometer lange traject tussen Knokke-Heist in het noorden van de Belgische kust en De Panne in het zuiden rijdt de kusttram. De oranje tram stopt 67 keer, zodat iedere badplaats goed bereikbaar is. Tijdens de zomermaanden rijdt de tram om het kwartier. De hele rit van noord naar zuid duurt ongeveer twee uur en is een goed alternatief voor de tijdens het hoogseizoen door files verstopte Koninklijke Baan.

Dienst voor Toerisme in Knokke-Heist, Verweeplein. Inl 09-3250601616. Dienst voor Toerisme in Blankenberge, Leopold III-plein. Inl 09-3250412921. Dienst voor Toerisme in Oostende, Wapenplein. Inl 09-3259701199.