Klas 210 en de open lijn met Castro

Het begon in 1940 met een brief van een 14-jarige jongen aan president Roosevelt en het eindigt misschien nog eens met een topontmoeting tussen Bill Clinton en Fidel Castro. Tenminste, dat hopen leerkrachten en leerlingen van de Lafayette High School in Wilmington. Met de warmste groeten uit Cuba.

Vorig najaar liet Ron Squire Steffey, geschiedenisleraar aan Lafayette, zijn leerlingen een raadsel ontsluieren. Hij had een brief in handen, uit 1940, opgediept uit de Nationale Archieven in Washington (een paar honderd kilometer ten noorden van het historische stadje Wilmington) en geschreven door een jongen van twaalf. Het ventje feliciteerde Roosevelt met zijn derde verkiezingszege, gaf blijk van zijn sympathie voor de VS en vroeg "FDR' een brief terug te sturen, als het even kon met een bankbiljet van tien dollar. Steffey's leerlingen, gemiddeld 17 jaar oud, moesten raden wie de brief had geschreven. Hij gaf één hint: inmiddels is de schrijver een bekende leider van een land. Onder de oplossingen zat het juiste antwoord: Fidel Castro Ruz, machthebber/dictator in Cuba sinds 1959.

Omdat de kleine Castro nooit een reactie op zijn brief aan Roosevelt had gekregen, besloten de leerlingen een brief terug te sturen en een 10- dollarbiljet in te sluiten, als symbolische handreiking naar Castro en het Cubaanse volk. De inzet van de klas was hoog: een proces op gang brengen om de betrekkingen tussen beide landen te verbeteren. “De leerlingen denken dat uw indruk van ons land een positievere kant op had kunnen gaan als "wij' eenvoudig iets hadden laten horen aan een nieuwsgierige, vriendelijke jongen uit Cuba”, aldus de brief die klas 210 in oktober naar Havana stuurde. “We vragen u onze uitgestoken hand te accepteren en ons aanbod in overweging te nemen ons land tegemoet te komen en positieve relaties bespreekbaar te maken.”

De leerlingen begrijpen er niets van dat de relaties tussen Cuba en de VS al meer dan dertig jaar op slot zitten, legt adjunct-directeur Chuck Maranzano van Lafayette High School uit. “Ze waren toen nog niet eens geboren. Ze vragen zich af waarom er nooit een dialoog op gang gekomen is.”

Anderhalve week geleden bereikte de school het bericht dat bij de Cubaanse diplomatieke post in Washington, ondergebracht bij de Zwitserse ambassade, een brief van Castro lag. Met de opdracht aan eerste secretaris Guzman om die in Williamsburg te bezorgen. Dat gebeurde vorige week. In de brief toont de nu 66-jarige Castro zich opmerkelijk zachtmoedig tegenover de Amerikanen. Van zijn gebruikelijke anti-imperialistische retoriek geen spoor. Op presidentieel briefpapier, gedateerd 23 december, schrijft Castro dat hij het gebaar van de school zeer waardeert. Met de brief waren een paar boeken over Cuba meegezonden en een biljet van tien Cubaanse pesos, waarop de Cubaanse vrijheidsstrijder Máximo Gómez is afgebeeld.

Castro schetst parallellen tussen Gómez, die rond de jongste eeuwwisseling tegen de Spaanse overheersers vocht, en Lafayette, de Franse generaal/politicus uit de Amerikaanse vrijheidsoorlog naar wie de school in Williamsburg is genoemd. “Historische personen zoals dezen herinneren ons eraan dat we, los van grenzen of nationale gevoelens, allen tot één grote, menselijke familie behoren.”

Castro verwijst naar Cuba's nationale trots, de vrijheidsstrijder José Marti, die eind vorige eeuw enkele jaren in de VS woonde. “Net als Marti hebben we waardering voor het Amerikaanse volk. We weten dat er in de VS veel mensen net als jullie zijn die onze oprechte vrienden willen zijn en die normale betrekkingen tussen onze twee landen nastreven. (...) Cuba is een klein land. Vandaag is onze grootste zorg instandhouden wat we hebben bereikt en onze levensomstandigheden verbeteren. Niemand kan oprecht geloven dat we een gevaar zijn voor een supermacht als de VS. Er is dus geen enkele rechtvaardiging voor de verschillende daden van agressie waaronder we lijden zoals het wrede economische embargo. (...) Wij zouden ook graag goede betrekkingen hebben met de VS, maar om dat te bereiken zouden we - zoals jullie ook zeggen - bij elkaar moeten gaan zitten om onze meningsverschillen te bespreken, in een sfeer van wederzijds respect en zonder beledigende voorwaarden tegen onze soevereiniteit te hoeven accepteren. Jullie kunnen ervan verzekerd zijn dat we op elk moment zouden kunnen bijdragen aan normalisering van de betrekkingen, zodra dat wederzijds respect er is.”

Voordat Castro afsluit met de “warmste groeten”, spreekt hij de wens uit dat Steffey en zijn leerlingen Cuba ooit nog eens kunnen bezoeken en er vaststellen dat het een prachtig land is, “met een warm, blijmoedig en vriendelijk volk”. Castro gaat in zijn brief een stuk verder dan de complimenteuze uitlatingen die hij richtte aan het adres van Clinton en zijn vrouw. Hij noemde de nieuwe president - de achtste sinds Castro over Cuba regeert en de tiende sinds Roosevelt - een man van vrede en complimenteerde Hillary met haar uiterlijk en haar functie.

De actie van "Lafayette High' en Castro's brief riepen zeer uiteenlopende reacties op, aldus Maranzano. Andere leerlingen reageerden positief. Maar de Cubaanse gemeenschap in de VS, grotendeels fanatiek anti-Castro, vroeg zich af of ze in Williamsburg gek waren geworden. “Die zeggen dat alles in Cuba zal veranderen als Castro dood is. Maar zo lang kun je de mensen daar toch niet laten wachten op betere levensomstandigheden? Onze leerlingen zien de menselijke kant van de zaak. We vliegen ook naar Somalië en waarom zouden we mensen in een land op 90 mijl van onze kust dan niet helpen?”

Voor klas 210 zijn de muren van Castro's paleis minder dik dan die van het Witte Huis. Hoewel de media, waaronder CNN en de Today Show van NBC, veel aandacht aan de zaak besteedden, bleef een reactie van de regering-Clinton uit. Verslaggever John Goldstein van de Daily Press, een krant in Williamsburg, kreeg van een regeringswoordvoerder te horen dat Cuba eerst aan de mensenrechten moet werken voordat nieuwe contacten aan de orde zijn.

Maranzano: “We zijn geen diplomaten en willen geen politieke speelbal zijn. Maar dit is een unieke gelegenheid om de relaties te verbeteren. Wij hebben een open lijn met Castro, Clinton moet daar gebruik van maken.” Tussen hoop en realiteit is een hemelsbreed verschil, geeft Maranzano toe: “Ik ben bang dat we een koude schouder krijgen.” Op zijn eerste persconferentie maakte Clinton dinsdag duidelijk dat hij er niets voor voelt om met Castro te praten. “Ik hoop dat we ooit vrij naar een democratisch Cuba kunnen reizen”, zei hij in een afgemeten reactie op een vraag. Waarop de verslaggever nog iets over Castro mompelde. Clinton: “Ik zei democratisch.” Volgende vraag.