Kaasboer, computerboer, koeienboer, gierboer

Boeren zijn boeren, denkt de buitenstaander. Maar er is een aantal zeer uiteenlopende bedrijfsstijlen. In het landbouw- en milieubeleid moet je daarvan profiteren, zegt de nieuwe Wageningse hoogleraar Van der Ploeg.

De grote problemen waarmee landbouw en platteland kampen zijn bekend: milieu, overschotten, leegloop en te grote afhankelijkheid van bulkproduktie. De antwoorden op deze problemen zouden wel eens in de verscheidenheid binnen de Nederlandse landbouw kunnen liggen, want die blijkt verrassend groot te zijn. Maar volgens de nieuwe Wageningse hoogleraar rurale sociologie Jan Douwe van de Ploeg "wordt de bedrijven die we straks het hardste nodig hebben nu de nek omgedraaid' en "krijgen de boeren die het schoonste produceren de hardste klappen, terwijl de meest versmerende door mogen gaan'. Van der Ploeg is benoemd als opvolger van de socioloog Hofstee en houdt vandaag zijn inaugurele rede.

Bij de vakgroep agrarische ontwikkelingssociologie van de Landbouwuniversiteit Wageningen verscheen de afgelopen jaren een serie onderzoeksrapporten over bedrijfsstijlen in de landbouw. Het begrip bedrijfsstijl werd in de jaren vijftig ontwikkeld door de Wageningse hoogleraar E. Hofstee, de grondlegger van de agrarische sociologie in Nederland. Hij bedoelde daarmee "het gezamenlijke gedachtengoed van boeren in een bepaalde streek omtrent de wijze waarop men behoort te boeren'. Op de zandgronden in Drenthe boerde men anders dan op de Veluwe of in de Kempen; de akkerbouw op de zeeklei in Zeeland verschilde van die in Groningen. De verschillen hadden te maken met verschillen in natuurlijke omstandigheden, beschikbare arbeidskrachten, afzetmarkten, technologieën en tradities. Ze uitten zich in de architectuur en inrichting van de boerderijen, het gewassenpatroon, de arbeidsdeling op en tussen boerderijen; tot aan de aanspanning der paarden en lokale gebruiken als het afmelken van koeien toe.

In de tijd van Hofstee waren bedrijfsstijlen sterk aan gebieden gebonden. Sinds de staat en de Europese Gemeenschap zich indringend met de landbouw zijn gaan bemoeien, landbouwprijzen geüniformeerd werden en ruilverkavelingen werden doorgevoerd, zijn die verschillen tussen gebieden in hoog tempo verdwenen.

Toch is dat niet gepaard gegaan met een eenvormigheid in de landbouwbeoefening, zo blijkt uit de recente Wageningse bedrijfsstijlenstudies. Volgens Van der Ploeg, de man achter de studies, is de verscheidenheid tussen gebieden vervangen door een verscheidenheid binnen gebieden.

Zelf gebruiken

In zijn onderzoek gaat Van der Ploeg uit van zogenaamde folk concepts, begrippen die de boeren zelf gebruiken. Ze geven de verscheidenheid binnen de landbouw treffend weer. In het Zuidhollandse veenweidegebied onderscheiden de boeren zes bedrijfsstijlen: optimale boeren, koeienboeren, machineboeren, dubbeldoelers, pioniers en afbouwers. In het Friese kleiweidegebied zijn het er vijf: yntinsive boeren, grutte boeren, koweminsken, sunige boeren en fokkers. En in de glastuinbouw vier: toppers, echte tuinders, middenmoters en rauwdouwers. Allemaal volgen ze een geheel eigen strategie om hun bedrijf levensvatbaar te houden.

Optimale boeren (in de Achterhoek fanatieke boeren genoemd) hebben grote, moderne bedrijven; ze streven naar produktievergroting door meer vee en een steeds hogere melkgift per koe. Schaalvergroting en intensivering zijn kenmerkend voor deze koploperbedrijven die lange tijd model gestaan hebben in beleid en wetenschap. Het zijn echte ondernemingen, die veel gebruik maken van geleend geld ("Het is juist de kunst om met vreemd kapitaal geld te verdienen'), subsidieregelingen ("Inspelen op premies, subsidies en belastingvoordeeltjes, dat is belangrijk') en externe advisering, snel moderne produktieverhogende technieken en resultaten van wetenschappelijk onderzoek toepassen, veel krachtvoer aankopen en minder produktieve koeien snel vervangen. Optimale boeren zitten meer achter de computer dan dat ze met een riek in de hand in de stal staan.

Koeienboeren streven ook naar een hoge melkgift per koe, maar willen niet al te veel vee hebben omdat ze er dan niet genoeg aandacht aan kunnen besteden. Koeienboeren zijn echte veeliefhebbers, die trots zijn op een veestapel die ze zelf hebben opgebouwd. "Ik wil van een goede koe kunnen zeggen dat ik hem zelf heb opgefokt', zegt een van hen. "Koeien moeten glanzen', zegt een andere koeienboer om het belang van individuele dierverzorging te onderstrepen. Ze streven naar een "vrij bedrijf' en proberen groei zoveel mogelijk te financieren uit eigen besparingen. Ze weten een redelijk inkomen te verwerven door hun kosten te drukken. Aan eigen voederwinning besteden ze veel aandacht; machines kopen ze vaak tweedehands.

Machineboeren

Daarin verschillen ze weer van machineboeren. Die zitten liever op de trekker dan onder een koe. Machines zijn hun hobby en ze sleutelen graag zelf. Een hoge melkgift per koe en goed graslandbeheer vinden ze minder belangrijk dan mechanisatie. Alles draait bij hen om het volume, want pas dan wordt mechanisatie rendabel.

Dubbeldoelboeren vinden niet alleen melk- maar ook vleesproduktie belangrijk. Ze hechten veel waarde aan de restwaarde van hun vee. "Daar komt op mijn bedrijf de winst vandaan', zegt een van hen.

Pioniers zijn boeren die nieuwe wegen ingeslagen zijn. Ze richten zich op natuurzuivere produktie, verwerken hun melk zelf tot boerenkaas of kwark, vermarkten die zelf of hebben een camping op hun boerderij.

Afbouwers ten slotte denken er niet over om op korte termijn hun bedrijf te beëindigen, maar willen het wel "vrijhouden' hoewel er meestal geen opvolger klaar staat. Ze proberen de kosten te drukken door weinig aan te kopen en veel zelf te doen. Loonwerkers schakelen ze zelden in, ze strooien weinig kunstmest, ze hooien in plaats van het gras in te kuilen. Duur, hoogproduktief vee schaffen ze niet aan: "Die hebben sneller last van speenbetrapping en uierziektes. Dat betekent vaker naar de veearts', zegt een afbouwer. "Wij zijn geen kunstmestboeren' en "Omgerekend komt onze stikstofgift neer op 30 kilo per bunder. Boeren die 400 kilo strooien.... dat is geen kunstmest strooien meer. Dat is land ophogen. Dat merk je uiteindelijk aan de gezondheid van de koeien. Het kuilvoer wordt veel te sterk en met al dat krachtvoer erbij, raken ze aan de schijt. Wij hebben hele goeie mest, die stinkt ook helemaal niet. Goeie mest ....omdat we zoveel hooi geven is de mest gebonden', zeggen anderen.

Antwoorden

In de verscheidenheid aan bedrijfsstijlen liggen volgens Van der Ploeg de antwoorden opgesloten voor de grote vraagstukken waar de landbouw zich voor gesteld ziet.

"Tussen de relatief schone en de relatief smerige bedrijfsstijlen bestaan verschillen in milieudruk van 60 %', zegt de verse hoogleraar. "Per stijl is het produktieproces anders georganiseerd. Sommige stijlen kennen grote importstromen van elders en dat leidt tot grote concentraties mineralen, toxische stoffen en energie. Een zuinige boer produceert veel schoner, hij sleept weinig aan, hij zal zijn natuurlijke hulpbronnen zo goed mogelijk gebruiken en veel eigen arbeid inzetten. Ouderwets distels trekken in plaats van spuiten, hooi en ruwvoer in plaats van krachtvoer.'

"Elke stijl heeft zijn eigen strategie om de mineralenbalans te verbeteren, maar het mestbeleid schrijft iedereen afgedekte mestopslag en mestinjectie voor. Zuinige boeren kunnen dergelijke maatregelen moeilijk inpassen. Zij willen de mineralenbalans verbeteren door minder kunstmest te strooien, minder krachtvoer te gebruiken, te selecteren op koeien die efficiënter ruwvoer omzetten en drijfmeststallen te vervangen door grup- en potstallen. Maar binnen het huidige mestbeleid leveren dergelijke maatregelen niets op. Geld om te investeren in dure mestopslag en mestinjectie hebben zuinige boeren niet. Bovendien vinden zij het onrechtvaardig dat ze precies dezelfde maatregelen moeten nemen als boeren die 60% meer vervuilen. Volgens het ministerie van landbouw zal door het mestbeleid 40% van de bedrijven het loodje leggen. Daarbij krijgen de schoonst producerende bedrijven de hardste klappen, terwijl de meest versmerende door mogen gaan.'

Ingebouwde rem

Sommige bedrijfsstijlen hebben een ingebouwde rem op groei, andere zijn veroordeeld tot expansieve groei. Bij de fanatieke boeren in de Achterhoek is "stormachtig groeien' het allesoverheersende doel. Om het bedrijfsinkomen over een jaar of acht op peil te houden, kan de ene stijl volstaan met een groei van 40 tot 50%, terwijl andere stijlen hun produktievolume met 200 tot 300% moeten vergroten. In de eerste groep bouwen boeren een vrij bedrijf op dat stoelt op eigen grond, eigen vermogen en eigen arbeid. Ze kunnen daardoor maar langzaam groeien. Als ze van dat groeischema afstappen, komen ze terecht in wat ze zelf "de investeringsspiraal' noemen. Ze moeten dan geld lenen, om rente en aflossing te betalen moeten ze meer produceren, ze worden afhankelijker van markten en conjunctuurgevoeliger. Om zich daartegen in te dekken gaan ze weer meer produceren enzovoorts.

Het Nederlandse landbouwbeleid is volgens Van der Ploeg de afgelopen decennia veel te veel op deze koploperbedrijven gericht geweest. Het waren de lievelingsbedrijven van de overheid. Daar gingen de rentesubsidies en borgstellingen heen, de ruilverkavelingen werden erop afgestemd, onderzoek en voorlichting werd erop toegesneden.

De ingebouwde rem en de expansiedwang illustreert Van der Ploeg met een inkomensgrafiek die betrekking heeft op Friese boeren. De inkomens van koeienboeren stijgen tot een bepaald niveau, maar als ze boven een bepaald produktieniveau komen, dalen ze scherp. "Dan ga je boven je macht werken', zeggen de boeren zelf.

Bij de grote boeren zie je het omgekeerde. Ze hebben zoveel geïnvesteerd dat hun inkomen pas stijgt als ze boven een bepaald produktieniveau komen. Zij moeten dus wel groeien en "doordenderen' zoals ze het zelf noemen. Opvallend is echter dat de grote boeren niet de meestverdienende zijn, maar de zuinige. Binnen elke stijl zijn goede inkomens te verdienen. Wel zijn het de grote boeren die voor de produktiegroei zorgden, terwijl de zuinige boeren een nulgroei kenden. Zij hielden hun inkomen op peil door de kosten te drukken.

Ook hier is volgens Van der Ploeg het generieke beleid funest geweest. "Boeren hebben er de collectieve les uit getrokken dat goed gedrag vandaag morgen de molensteen om je nek kan zijn. Boeren die als gekken hadden uitgebreid werden beloond met grote quota, boeren die zichzelf hadden ingehouden werden gestraft met een klein quotum. Bij de ecologische richtlijn "Veehouderij en ammoniak' speelde hetzelfde: als je bomen of heggen had gerooid, zat je goed; als je daar altijd goed voor gezorgd had kwam je in een bureaucratisch harnas te zitten en mocht je niet meer uitbreiden of verbouwen.'

Parmezaanse kaas

De expansiegerichte bedrijven kopen in enkele jaren tijds de melkquota van één of twee zuinige boeren op. Daardoor verdwijnt er werkgelegenheid, loopt het platteland leeg en wordt de leefbaarheid aangetast. Van der Ploeg vreest dat "we de boeren kwijt raken die we straks het hardste nodig hebben. We groeien toe naar een Russische situatie, waar ze nu de familiebedrijven terug willen die ze eerder om zeep geholpen hebben.'

Als lichtend voorbeeld haalt Van der Ploeg de Parmezaanse kaas aan. "In Friesland leidt een quotum van 1,8 miljard liter tot 6000 arbeidsplaatsen; eenzelfde quotum genereert in de Italiaanse provincies Parma en Reggio Emilia 30.000 arbeidsplaatsen. Nederlandse landbouwingenieurs en boeren kijken tijdens bedrijfsbezoeken in eerste instantie neer op de veehouderij daar. ""Prutsen jullie nog met luzerne en alfalfa? Daar zijn wij begin deze eeuw al mee opgehouden. Hebben jullie nog potstallen? Hebben jullie maar dertig koeien per bedrijf en zorgen jullie daar met z'n drieën voor? We hebben gemiddeld zeventig koeien per gezin.'' Totdat ze erachter komen dat dertig koeien in een potstal gevoerd met luzerne zulke hoge opbrengsten en zulke lage kosten betekenen dat ze net zo'n hoge inkomens halen als Nederlandse boeren. De inkomens van de Parmezaanse boeren behoren binnen het rijke Noord-Italië tot de hoogste.'

Afstappen

Van der Ploeg wil het generieke beleid waarbij het koploperbedrijf als norm wordt genomen vervangen door een beleid dat rekening houdt met de verschillende bedrijfsstijlen. Maar hoe ziet zo'n beleid eruit? "We moeten afstappen van het voorschrijven van middelen en meer de nadruk leggen op de doelen. Bedrijven moeten zelf bepalen hoe ze die doelen willen bereiken. Ze kunnen dan maatregelen kiezen die bij hun bedrijfsstijl passen.

"Verder moeten we het beleid regionaliseren. In de Peel moet het mestprobleem anders worden aangepakt dan in de Gelderse Vallei. In de Gelderse Vallei worden de problemen vooral veroorzaakt door kleine aantallen zeer grootschalige bedrijven. Die moet je aanpakken, via de vele kleinschalige bedrijven kun je schonere produktie bereiken. In de Peel heb je geen kleinschalige bedrijven. Daar moet je streven naar gesloten systemen en grootschalige mestverwerking. Voor de Gelderse Vallei zouden die een waterhoofd zijn.

"Ook zou het beleid actiever gericht moeten zijn op het openen van nieuwe sporen. Er zouden innovatiesubsidies gegeven kunnen worden voor de ontwikkeling van kwaliteitsstelsels zoals de veenweidekaas, toeristisch-recreatieve vervlechting of beheer van natuur en landschap.

"Er zou meer ruimte moeten komen voor zelfregulering. Een voorbeeld. In de Friese Wouden heb je een fraai coulissenlandschap van lange, smalle kavels met houtwallen en elzensingels. Mestinjectie is daar nauwelijks mogelijk, maar ook niet nodig omdat de veebezetting en de milieudruk laag zijn.

"Boeren hebben daar de vereniging Eastermars Lânsdouwe opgericht om het landschap te beheren op een manier die bij de streek past. Er zou een uitruil kunnen plaatsvinden: als zij het landschap onderhouden en de milieudruk inperken, hoeven zij zich niet te houden aan de ecologische richtlijn die zegt dat een bedrijf niet mag uitbreiden als er een zuurgevoelig object in de buurt is. Om de vijftig meter heb je daar een houtwal, dus geen enkel bedrijf kan uitbreiden of verbouwen. Boeren die schoon produceren zouden milieurechten kunnen verkopen aan boeren die dat niet doen. Dan levert schoon produceren wat op. De vereniging telt veertig boeren die samen 1900 hectare in gebruik hebben. Ze wil met de overheid een convenant afsluiten over het landschapsbeheer, streekeigen produkten en toeristisch-recreatieve voorzieningen ontwikkelen. Boeren kunnen er extra inkomen uit halen, de overheid is goedkoper uit, je voorkomt leegloop en verpaupering van het platteland.

"In de glastuinbouw wil de overheid de milieuproblemen terugdringen door overschakeling op steenwol. Ook hier mikt de overheid teveel op de koploperbedrijven van de "toppers', die allemaal op steenwol telen. "Echte tuinders' telen meer op grond. Zij hebben andere methodes ontwikkeld om schoner te produceren. De milieuprijs van het Westland is nota bene aan twee grondtelers toegekend. Toch blijft de overheid nog steeds streven naar 100% steenwol, terwijl grondtelers een hele cruciale rol spelen in het innovatieproces. Op steenwol kun je maar een beperkt aantal produkten telen, grondtelers richten zich op kleine hoeveelheden kwaliteitsprodukten.'