IETS ERGS

Zomaar een zinnetje uit een Telegraaf-interview. Een mooi onthullend tussenzinnetje, uitgesproken door een juriste die voor haar afstudeerscriptie onderzoek deed naar winkeldiefstal door scholieren. Van de door haar genterviewde elf- tot zeventienjarigen gaf de helft toe wel eens te pikken uit winkels, met als motief dat het stoer en spannend is, maar eigenlijk ook wel erg makkelijk. De onderzoekster: ""De ergste straf vinden ze het inlichten van de ouders, maar uit het onderzoek blijkt dat dat juist zelden gebeurt. Winkeliers stellen meestal de school op de hoogte en dat laat hen koud.''

In ultra kort bestek wordt hier de relatie tussen jongeren en hun ouders getypeerd. Misschien dat er mensen zijn die denken dat de ondervraagde scholieren bang zijn voor hun ouders en straf vrezen. Het is echter veel waarschijnlijker dat ze de goede relatie met hun ouders niet graag verstoord zouden willen zien en de vader en moeder op wie ze gesteld zijn niet nodeloos ongerust willen maken door het idee dat ze een crimineel kind hebben. Die kinderen weten zelf wel dat het daar niks mee te maken heeft en dat je er op een gegeven moment vanzelf mee ophoudt omdat het kinderachtig is, maar leg dat maar eens uit aan die twee. Pikken uit winkels hoort bij de dingen die je ouders maar beter niet kunnen weten, omdat ze zich anders zorgen maken om niks. Dat jongeren in het algemeen een goede verstandhouding hebben met hun ouders is namelijk bekend uit het ene jeugdonderzoek na het andere dat wordt gedaan. Er is bepaald sprake van een onderzoekshausse. Waarom is mij niet duidelijk, maar soms denk ik dat men - om een prachtige uitdrukking van Emma Brunt te gebruiken - hardnekkig op zoek is naar iets heel ergs.

En dat erge wil maar niet tevoorschijn komen. De resultaten zijn namelijk rooskleurig te noemen, met uitzonderlijk hoge percentages in positieve richting. Neem nu dit citaat uit het onderzoeksrapport van het Sociaal Cultureel Planbureau Jongeren op de drempel van de jaren negentig: ""De tevredenheid bij jongeren met het verblijf in het ouderlijk huis (is) bijna algemeen en de enigermate stijgende leeftijd van uit huis gaan lijkt niet alleen op het huurkamertekort, maar ook op de aantrekkingskracht van het ouderlijk milieu te berusten. Nood en deugd liggen dicht bijeen. Positieve antwoorden op de vraag naar de affectie ten opzichte van de ouders wordt door ongeveer negentig procent of meer van de jongeren gegeven.

Rond de zeventig procent zegt met de ouders overeenstemming te hebben over waarden en normen, hetgeen bepaald niet verwijst naar een massaal generatieconflict. Chronisch conflict met de ouders wordt trouwens bijna niet gerapporteerd. Incidentele conflicten lijken adequaat te worden opgelost.''

Verder vinden ze de school niet leuk, maar zien er wel het nut van in en spijbelen blijft binnen de perken. Ze gaan niet zomaar met iedereen naar bed en meer dan negentig procent heeft per jaar slechts één seksuele partner. Ze zijn tolerant ten aanzien van vraagstukken die raken aan individuele vrijheid - abortus en euthanasie - en ten opzichte van minderheidsgroeperingen. Ruim de helft van de scholieren werkt gemiddeld negen uur per week om zelf geld te verdienen. Dat ruim tien procent van hun uitgaven wordt besteed aan alcohol en sigaretten is niet fraai, maar dat ze bijna twintig procent ervan sparen is daarentegen reuze braaf. Aantrekkingskracht van het ouderlijke milieu. Je gelooft je ogen toch niet als je dat leest? Maar zo zijn de uitkomsten van Nederlands jeugdonderzoek wel te typeren.

Dat erge waarnaar men op zoek is, bestaat dus misschien wel niet. Maar in de sociale wetenschappen kan men het niet laten jongeren met sombere blik te bestuderen. Eigenlijk wordt iedere keer als een jeugdonderzoek is afgerond en in de publiciteit komt ten onrechte een eenzijdig negatief beeld geschetst. Niet zelden omdat de media nu eenmaal graag drama brengen. Natuurlijk kan men niet om de positieve percentages heen, dus die worden pro forma wel genoemd, maar daarna stapt men schielijk over op het kleine percentage probleemjeugd. En een bezorgde onderzoeker breit daar makkelijk nog wat percentages aan vast via topje-van-de-ijsberg-redeneringen of speculaties in de trant van wat-nu-onschuldig-lijkt-kan-laterzware-problematiek-worden.

Neem het proefschrift van Heuves Depression in young male adolescents. Op grond van Amerikaanse en Engelse onderzoeken schatte hij dat 30.000 tot 80.000 Nederlandse jongeren last hebben van angsten en depressies. Dat is voor de individuele gezinnen die het aangaat erg. Maar hoe erg is het epidemiologisch gezien, als je beseft dat het hier gaat om drie tot acht procent van de totale groep?

Daarna breidde Heuves het aanvankelijke percentage probleemjongeren uit, en wel tot twintig, door alle jongens en meisjes mee te rekenen die in buitenlands onderzoek zeiden wel eens last te hebben van sombere buien. Hij noemde de situatie voor 400.000 elf- tot vijftienjarigen "alarmerend' en waarschuwde zelfs dat als deze jongeren later zelf ouders zijn, zij de ellende aan hun kinderen zullen doorgeven. De voorlichtingsdienst van de universiteit waar hij promoveerde zette dit schrikbarende cijfer - drama! - in het persbericht en zo kwam het als hoofdresultaat van zijn proefschrift in de media terecht. Dit grote aantal was dus niet gebaseerd op eigen Nederlandse constateringen, maar op extrapolaties van Amerikaanse en Engelse gegevens.

Kortgeleden zijn echter cijfers bekendgemaakt van een dergelijk Nederlands onderzoek van Meeus. In het radio-interview met hem dat ik hoorde, maakte hij geen opgewekte indruk. Want hoewel ook hij vond dat tachtig procent van de jongeren het goed kan vinden met de ouders en zich door hen gesteund weet, ouders over hun eigen kinderen positief denken, en slechts zeven procent van de jeugd depressief is, wist hij het toch zo te presenteren dat eenderde van de jeugd aan hulpverlening toe is.

Het erge toch nog betrapt? Ik weet het niet. Als we de depressieve jongeren buiten beschouwing laten blijft er een kwart over dat van tijd tot tijd sombere buien heeft, negatief over zichzelf denkt, zich eenzaam voelt en gedachten heeft aan zelfmoord. Is dat erg? Is dat veel? Ik denk dat dat kwart aan de lage kant is. Ik kan mij zelfs geen mens voorstellen aan wie zulke gedachten en gevoelens in de adolescentie in het geheel zijn voorbijgegaan. Ook al is de angel van de Sturm und Drang uit de puberteit gehaald door de grotere autonomie in het algemeen en de seksuele vrijheid in het bijzonder, het blijft een stemmingsgevoelige periode, zowel door hormonale als door sociale veranderingen.

Waarom vermelden dan niet alle jongens en meisjes zulke problemen? Mijn hypothese is dat juist doordat de stemmingen zo kunnen wisselen, het om een fluctuerende groep gaat. Er zal op het moment van ondervraging altijd een groep zijn die in een negatieve stemming is - ongelukkig verliefd, afgewezen voor een opleiding, vlak voor menstruatie - en somberheid en zelftwijfel rapporteert. Maar dat hoeft helemaal niet altijd dezelfde groep te zijn. Pas als dat wel zo is en de problematiek dus permanent is, is dat zorgelijk. Gezien de overigens positieve berichten lijkt dat niet aannemelijk, maar in ieder geval kom je dat niet te weten met één of meer momentopnamen, want iedere keer dat je meet zitten er weer andere jongeren in dat percentage. Of ik gelijk heb, is alleen te achterhalen door dezelfde jongeren bij herhaling te interviewen.

* T.F.M. ter Bogt ea: Jongeren op de drempel van de jaren negentig. Den Haag: VUGA, 1992.

* M. de Bois-Reymond: Jongeren op weg naar volwassenheid. Groningen: Wolters-Noordhoff, 1992.

* R.W.F. Diekstra ea: Jeugd in ontwikkeling. Den Haag: SDU, 1992.

* W. Heuves: Depression in young male adolenscents. Leiden: proefschrift, 1991.

* W. Meeus ea: Jongeren in Nederland. Amersfoort: Academische Uitgeverij, 1993.

* P. Hill: Recent Advances in Selected Aspects of Adolescent Development. In: Journal of Child Psychology and Psychiatry, 34,1, 1993.