Het Internet-protocol

Sinds een jaar of vijf worden personal computers steeds vaker in een lokaal netwerk (LAN) verbonden. Om informatie te versturen zijn afspraken nodig. Computerfabrikant DEC bedacht het protocol DECnet, Apple Appletalk, IBM SNA en Novell kwam ook met een eigen oplossing voor het koppelen van PC's.

Het verbinden van deze lokale netwerken onderling leverde een nieuw probleem op. Al in de jaren zeventig werd daarvoor een oplossing gevonden: het TCP/IP protocol. Dit is de taal van Internet.

TCP/IP staat voor transmission control protocol / internet protocol. Naast de eigen taal spreken tegenwoordig ook de andere netwerken deze lingua franca die voor het eerst werd gebruikt in 1983 op het Amerikaanse Arpanetwerk. TCP/IP is geen prvivé bezit, maar public domain: iedereen mag het kosteloos gebruiken.

Waar twee netwerken elkaar raken, zorgt een computer voor de vertaling van de lokale afspraken naar TCP/IP en vice versa. De afspraak TCP/IP maakt drie vormen van computersamenwerking mogelijk. Elektronische post, bestandsuitwisseling (up- en downloaden) en het raadplegen van databanken in een computer alsof je daar direct mee verboden bent.

Het Internet is niet meer dan de verbinding van een verzameling netwerken, waardoor de eerste de laatste en alle tussenliggende kan bereiken. Ongeveer zoals men met streekbussen naar elke plaats in Europa kunt reizen. Elke computer heeft een eigen adres op Internet, zodat afzender en geadresseerde door alle tussenliggende netwerken weten van wie de bytes komen en waar ze naar toe moeten. Een elektronische brief van een Groningse wetenschapper aan een bioloog in Kiel gaat van het kantoornetwerk naar het plaatselijke universiteitsnetwerk en dan via Surfnet naar het Duitse net, waar geconstateerd wordt dat het naar Kiel moet, en waar het via een onbepaald aantal tussenstations binnen enkele seconden aankomt op het bureau van de bioloog.

Om de plaatselijke netwerken niet te veel te belasten met interlokaal verkeer, zijn er snelwegen aangelegd waar het verkeer voor bijvoorbeeld Groningen alleen afslaat, als het daar echt moet zijn. Er zijn een aantal van zulke snelwegen in de wereld - in de VS beheert de National Science Foundation een belangrijke "backbone'.

De computers op het Internet zijn van alle soorten en merken. Ook is het mogelijk via de telefoonlijn de eigen thuis-PC te verbinden met een op het Internet aangesloten computer en zo door de wereld te reizen.

De totale kosten voor de transportfaciliteiten bij Surfnet bedroegen in 1991 iets meer dan 5 miljoen gulden. Dat is exclusief de bedragen die de aangesloten universiteiten en instellingen aan hun eigen netwerken spenderen. Buiten de universitaire wereld is men voor Internet aangewezen op NLnet te Bilthoven. Een aansluiting kost 30 gulden per maand. Een abonnement op het nieuws uit onder meer de discussiegroepen kost 30 gulden per maand. Email binnen Nederland kost globaal een cent per 1000 letters (byte) en 12 cent voor post binnen Europa. Daarbuiten is het 4 cent duurder. Het ontvangen van post is gratis. De kosten voor de verbindingstijd bedragen 2,50 gulden per uur, waarbij de eerste 20 uur gratis zijn. Wie "inbelt' vanaf zijn pc thuis, moet ook de telefoonkosten nog betalen.