Het gevaar van protectie

EEN EXPLOSIEF MENGSEL van Franse politieke verschuivingen en Amerikaanse gerichtheid naar binnen vormt de allerjongste bedreiging van het internationale handelsstelsel.

In Frankrijk stevenen de gaullisten en liberalen af op een overweldigende meerderheid in de Assemblée, terwijl de regering van president Clinton nog geen heldere lijn heeft uitgezet in het Amerikaanse handelsbeleid. Het gevaar is niet denkbeeldig dat Amerikanen en Fransen elkaar min of meer toevallig vinden in protectionisme. Dat belooft nieuwe handelsconflicten tussen de Atlantische bondgenoten, minder internationale welvaartsgroei en grotere economische onzekerheid.

In de Verenigde Staten geniet het zogenoemde strategische handelsbeleid toenemende populariteit. Hiermee wordt handelspolitiek tot het terrein van de nationale veiligheid verklaard en is een land gerechtigd eenzijdige maatregelen te nemen als het zich door zijn handelspartners benadeeld voelt. Deze visie staat haaks op het traditionele inzicht dat vrije handel economisch gezien altijd meer voordeel oplevert dan marktafscherming ten behoeve van bedrijven en banen. De regering-Clinton schippert: eind februari hield Clinton een hartstochtelijk pleidooi voor open markten, maar zijn economische adviseurs slaan een andere toon aan en handelsgezant Mickey Kantor moet de listen van de handelspolitiek nog leren.

DE AMERIKANEN zijn bezig de druk op de Europese Gemeenschap te vergroten. De Uruguay-ronde over wereldwijde handelsliberalisatie zit voor de zoveelste keer vast, het landbouw-dossier waarover vorig jaar een akkoord was bereikt, staat opnieuw ter discussie. Over staal, Airbus-vliegtuigen en het beleid voor openbare aanbestedingen in de EG dreigen conflicten die volgende week al kunnen leiden tot een escalatie van wederzijdse sancties.

In het kader van de "interne markt' is de EG bezig de beschermde markt voor overheidsopdrachten open te breken. Het is niet langer toegestaan dat nationale en lokale overheden bij aanbestedingen van openbare werken buitenlandse bedrijven buiten de deur houden. Verheugd meende de EG hiermee een traditioneel kartel te hebben opengebroken. De Brusselse teleurstelling over de felheid waarmee de Verenigde Staten de richtlijn voor openbare aanbestedingen aanvielen, was dan ook groot. Voor de Amerikanen zit het venijn in artikel 29. Dat artikel bepaalt dat bedrijven uit EG-landen een prijsvoordeel van drie procent hebben boven niet-Europese bedrijven. Verder moet een inschrijver garanderen dat hij ten minste vijftig procent van zijn spullen uit de EG betrekt. De Amerikanen beschouwen deze eisen als een vorm van protectionisme en maken hier met recht bezwaar tegen.

IN FRANKRIJK, het meest protectionistische land van de EG, tekent zich intussen een politieke aardverschuiving af. Na de centrum-rechtse overwinning in de parlementsverkiezingen zal de Franse roep om marktbescherming en zal het Franse anti-Amerikanisme waarschijnlijk toenemen. De Fransen zullen Amerikaanse aarzelingen over de landbouw in het kader van de Uruguay-ronde met beide handen aangrijpen om het moeizaam bereikte EG-landbouwakkoord opnieuw open te breken. Onder verwijzing naar protesterende boeren en vissers, naar de zwakke economie en werkloosheid kan dan het streven naar wereldwijde handelsliberalisatie voor jaren worden lamgelegd. Terwijl economische groei het meest is gebaat bij vrije concurrentie en open grenzen.