Een bezem gaat door de fractie van de PvdA

Voor de PvdA-fractie in de Tweede Kamer komt de "dag des oordeels' snel naderbij. Een partijcommissie is bezig een advies op te stellen over de rangorde van de kandidatenlijst voor de Kamerverkiezingen. Partijvoorzitter Rottenberg gaat functioneringsgesprekken voeren met fractieleden. Vanmiddag vertelt hij de fractie op een speciale vergadering wat hem voor ogen staat. Wie nog wil kandideren moet dat vóór 20 april kenbaar maken, wie twijfelt heeft nog vijf dagen de tijd om een gesprek met de fractietop aan te vragen. Een grote schoonmaak dreigt, de fractie zet zich schrap.

DEN HAAG, 25 MAART. Voor de meeste huishoudens is één voorjaarsschoonmaak voldoende, maar voor de PvdA-fractie in de Tweede Kamer is meer nodig. Een desastreuze verkiezingsuitslag zoals Franse en Duitse sociaal-democraten te verwerken kregen, is slechts de eerste bezemveeg die het gezelschap van 49 mannen en vrouwen te wachten staat. In het kader van de "vernieuwing' zal een extra aantal Kamerleden het veld moeten ruimen omdat Rottenberg circa vijftien aansprekende generalisten hoog op de lijst wil zetten om de fractie een nieuw gezicht te geven. En als, in het ergste geval, de PvdA ook nog in de oppositie belandt en huidige bewindslieden terugkeren naar de Kamer, verdwijnt vrijwel de gehele zittende fractie. De PvdA-fractieleden zijn echter niet van plan zich willoos naar de slachtbank te laten voeren. Waarom zou de fractie moeten opdraaien voor de stuntelende partijtop?

“Partijleider Kok wordt straks weer aangewezen als lijsttrekker, ondanks zijn gebrek aan leiding. De fractie mag de persoonlijke gevolgen van dat gebrek op zich nemen”, zo zegt een PvdA-Kamerlid. Hij wenst uitdrukkelijk anoniem te blijven. Slechts enkele fractieleden durven het spreekverbod over dit thema te doorbreken dat partijvoorlichter D. Istha heeft opgelegd. Als een loodgieter probeert hij gaten en lekken te dichten: de PvdA-fractie moet immers weer rust uitstralen. Maar A. Stemerdink, oud-bewindsman van defensie in het kabinet-Den Uyl, en W. van Gelder, lid van het fractiebestuur, uiten openlijk kritiek op de partijleiding.

“Het is unfair van Rottenberg om beschuldigend naar de fractie te wijzen”, zegt Stemerdink die zijn terugkeer na de volgende verkiezingen laat afhangen van de inhoud van het verkiezingsprogramma. “Het is de politiek leider van de PvdA die onherkenbaar is geweest. De partijleiding moet ervoor zorgen dat er geen vacuüm in de uitgangspunten bestaat. Anders wordt een fractie snel een grijze massa of een lont in het kruitvat die de partij kan doen ontploffen. De PvdA-fractie krijgt nu geen kans om een gezicht te tonen.”

De kritiek van Stemerdink spitst zich toe op de WAO-crisis van anderhalf jaar geleden. “Dat was niet aan de fractie te wijten. Kok heeft bij de WAO een funest voorstel ingediend. Hij gaf een volstrekt foute richting. De fractie heeft juist een geweldige operatie moeten inzetten om de schade beperkt te houden. Ze moest echter van veel te ver komen om het vertrouwen volledig te herstellen. Werken, gezondheid, en de oude dag zijn voor sociaal-democraten wezenlijke onderwerpen. De WAO was een vertrouwensbreuk en dat is nauwelijks te repareren. De mensen vrezen dat met de AOW hetzelfde gaat gebeuren als met de WAO. De PvdA is op drift geraakt: zij heeft het beeld geschapen dat niets meer veilig is”.

Van Gelder is wat omzichtiger in zijn analyse. Het beeld dat de PvdA bij de kiezers oproept is volgens hem voor een belangrijk deel toe te schrijven aan de stijl van leidinggeven binnen de partij. Van Gelder: “Laatst waren we bij VARA-voorzitter Marcel van Dam. Ik vond het heel goed hoe hij de vernieuwing van de omroep heeft aangepakt. Hij onderzocht samen met zijn medewerkers wat het heersende beeld van de VARA was, wat dat beeld zou moeten worden, en hoe dat zou moeten worden veranderd. En toen ze begonnen riep Van Dam: "en vanaf nu is het geouwehoer afgelopen'. Die methode heeft gewerkt.” Bij de PvdA ging dat anders, zegt Van Gelder. “Bij ons is er niemand die zoiets roept. Kok en Wöltgens zijn er de mensen niet naar”.

Fractiegenoot Stemerdink vindt echter dat aan de politiek leider van de PvdA hogere eisen gesteld mogen worden dan aan die van andere partijen. Hij moet immers als eerst aangewezen sociaal-democraat niet alleen opkomen voor zijn natuurlijke achterban - de zwakkeren in de samenleving - maar ook een appèl kunnen doen op groepen met hogere inkomens om de solidariteit vorm te geven. “Dat extra mis ik bij Kok”, zegt Stemerdink.

Ook mist de partij zijns inziens de “intellectuele spanning” die er destijds tussen politiek leider Den Uyl en fractievoorzitters als Van Thijn bestond. “Dat ging hard tegen hard”, herinnert Stemerdink zich. “Den Uyl lokte dat ook uit. Het was geen ruzie maar de vuisten kwamen wel op tafel. Dat kan nu niet meer. Wie een andere mening heeft is een dissident. Wöltgens heeft heel wat denkwerk in zijn mars en je kunt met hem debatteren op het scherp van de snede maar hij moet wél uitgedaagd worden. Kok daagt intellectueel niet uit. Een sociaal-democratisch leider, die niet in staat is zijn gedachten vorm te geven in richtinggevende artikelen en bij wijze van spreken nog nooit een boek heeft geschreven, redt het niet,” zegt hij over Kok.

Beide Kamerleden zijn positiever over de duo-partijvoorzitters Rottenberg en Vreeman die een grote rol spelen in de centraal geleide kandidaatstelling. De twee voorzitters hebben voor veel beweging in het interne partijdebat gezorgd. Volgens Stemerdink heeft Rottenberg de oude rol van de partij als platform voor discussies weer vorm gegeven. Helaas vertaalt zich dat tot op heden nog niet in aantrekkende opiniecijfers. Ook lukt het niet altijd de standpunten van partij en fractie goed op elkaar af te stemmen, zo signaleert Van Gelder.

Vlak voor het gesprek heeft het fractiebestuurslid bezorgde partijleden te woord moeten staan die belden naar aanleiding van de jongste uitspraken van Rottenberg over het milieubeleid. De partijvoorzitter had begin vorige week gezegd dat de kiezer, om het milieu te ontzien, rekening dient te houden met een “krimpeconomie”. Van Gelder vond dat geen gelukkige uitspraak. “Ik zie best dat je in de discussie over een nieuw industriebeleid aandacht moeten hebben voor de milieu-effecten. Maar wat zeg ik tegen iemand die vraagt: zijn jullie voor een krimp-economie? Dat is lastig uitleggen.”

Ook Stemerdink bewaart, ondanks zijn lof voor het voorzittersduo, de nodige afstand tot de partijvoorzitter. Dit hangt samen met een generatieverschil: Stemerdink was bewindsman in het kabinet-Den Uyl toen Rottenberg nog op de sociale-academie zat en een rebellerende Jonge Socialist was die het kabinet van Den Uyl te rechts vond. Stemerdink neemt het functioneringsgesprek met Rottenberg niet al te serieus.

“Een functioneringsgesprek werkt alleen als die ander de positie heeft om dat gesprek te voeren. Maar een scholier in de zesde klas van de lagere school die een functioneringsgesprek voert met het schoolhoofd? Dat is dan de verhouding tussen Rottenberg en mij. Een functioneringsgesprek met mij heeft wel een heel ander karakter dan met iemand die drie jaar in de fractie zit. Ik heb ook zo'n gesprek gehad met de fractietop maar je dacht toch niet dat dat een honderdste van een seconde over mijn functioneren ging”.

Inmiddels neemt de profileerdrang in de fractie toe, terwijl de medewerkers al bezig zijn naar andere banen om te zien. Was de fractie in de jaren zeventig de etalage van de partij met politieke kopstukken, nu is zij een galerij onbekenden, met namen als T. Witteveen-Hevinga, R. van Gijzel, W. de Pree, R. Middelkoop, J. Beijlen-Geerts of M. Quint-Maagdenberg. Een discussieclubje, een conferentie, een forum, een ingezonden artikel in een partijblad of een krant: je gezicht laten zien, je profileren is van levensbelang. De marges zijn echter gering. Wie zich al te opzichtig profileert of een té rijzende ster is, kan op cynische commentaren van de collega's rekenen.

Volgens Van Gelder is de centrale opgave om het komend jaar samenhangende visies op criminaliteitsbestrijding, milieubeleid, werkgelegenheid en sociale zekerheid te formuleren. Elk lid van de fractie zal zijn of haar bijdrage aan het grotere geheel moeten leveren en zich niet in de eigen portefeuille moeten verschansen. Hoewel Van Gelder op dit vlak een omslag ten goede bespeurt, kan het allemaal in zijn ogen nog veel beter. “We hebben twee woordvoerders voor een onderdeel van de zeevisserij”, zegt hij. “Lilipaly doet de kokkels, en mevrouw Ockels doet de garnalen. Daar scoor je toch niet mee? In de commissie ontwikkelingssamenwerking hebben we volstrekt idiote discussies gehad over de vraag wie van ons het debat over tropisch hardhout moest doen.” In dat debat worstelde fractiespecialiste ontwikkelingssamenwerking J. Verspaeget zich naar voren. Verspaeget geldt als iemand met een sterk ontwikkelde territoriumdrang. Haar portefeuilles buitenlandse zaken en ontwikkelingssamenwerking zijn voor anderen verboden terrein. Het jonge Kamerlid Van Gijzel zag pogingen om daar naar binnen te dringen voortdurend geblokkeerd door een verkrampt optredende Verspaeget.

Van Gelder: “Van Gijzel heeft het als woordvoerder in de discussie over het Structuurschema Verkeer en Vervoer adequaat gedaan. Alleen weet ik niet of dat onderwerp wel zijn eerste voorkeur had.” Ook E. Jürgens, die als voormalig NOS-voorzitter de nodige bekendheid had, heeft door de territoriumdrift van anderen niet de kans gekregen die bekendheid te benutten, aldus Van Gelder. Al lange tijd is J. van Nieuwenhoven eerste woordvoerster media-zaken. Van Gelder meent ook dat de commissie die straks de functioneringsgesprekken voert, niet alleen moet kijken naar aantallen optredens, hun kwaliteit en de uitstraling van het Kamerlid. Ook openheid en geneigdheid tot samenwerking moeten in zijn ogen worden meegewogen.

Volgens Stemerdink heeft de fractie alleen nog een kans als de PvdA wat in het kabinet presteert. Hij vindt vooral PvdA-bewindslieden als Simons en Wallage tot nu toe herkenbaar. “PvdA-kiezers kunnen zich onvoldoende kennen in wat de PvdA in dit kabinet heeft bereikt”. Een oordeel over dit kabinet vellen doet Stemerdink denken aan de tijd toen hij als officier andere militairen moest beoordelen. “Ik kreeg een lijst met criteria maar na een dag moest ik bij mijn commandant komen. Hij zei: dat is prachtig die lijst maar daar gaat het niet om. Jij kijkt naar iemand en dan zeg je: ik vind dat hij officier moet worden, hij onderofficier, en dat hij er niet voor geschikt is. En dán ga je de lijst invullen. Zo is dat ook met het kabinetsbeleid. Ik kijk naar totaalbeeld, en dan zeg ik: nee”.