Chailly's Requiem van Verdi mist lyriek en raffinement

Concert: Kon. Concertgebouworkest en Grootomroepkoor o.l.v. Riccardo Chailly m.m.v. Alessandra Marc, Gloria Scalchi, Vincenzo la Scola en Michele Pertusi. Programma: G. Verdi: Messa da Requiem. Gehoord: 24/3 Concertgebouw Amsterdam. Herhalingen: 25, 27, 28/3. Radio-uitz.: 31/3 Radio 4 (opn. 28/3).

Riccardo Chailly begon op 3 november 1988 zijn werk als chef-dirigent van het toen zojuist "Koninklijk' geworden Concertgebouworkest met een uitvoering van het Requiem van Verdi tijdens een feestelijk concert dat werd gegeven ter gelegenheid van het honderdjarig bestaan van het orkest. De uitvoering was destijds helaas lang niet zo bijzonder als verwacht: een te onevenwichtige vertolking en een solistenkwartet dat lang niet voldeed aan het in dit repertoire vereiste absolute topniveau.

Dezer dagen staat het Requiem weer op het programma van het Concertgebouworkest ten behoeve van de cd-opnamen voor een box met religieuze Verdi-muziek, waarop ook de tijdens de Eurovisie Kerstmatinee 1991 zo buitengewoon prachtig vertolkte Quattro Pezzi Sacri zullen verschijnen. In beide stukken wordt gezongen door het Groot Omroepkoor.

Gisteravond, bij de eerste van vier publieke uitvoeringen van het Requiem, bleek een forse vooruitgang ten opzichte van viereneenhalf jaar geleden. Maar toch was het, wederom door vaak wat tegenvallende solisten, nog niet die gebeurtenis van het allergrootste belang die het waard is te worden vereeuwigd. Het is sterk te hopen dat de komende concerten alsnog een verdere uitdieping van interpretatie en uitvoering te zien zullen geven.

De omlijsting van het Requiem, de zeer langzaam terughoudend en zacht genomen openingsmaten en de gepassioneerd uitgevoerde afsluiting met het Libera me, gaven blijk van inzicht en vervoerende inspiratie bij Chailly, die ook in de massale en ontzagwekkende delen van het Dies Irae tot indrukwekkende resultaten kwam. Voor het overige gaf Chailly zich duidelijk veel moeite om zoveel mogelijk dynamische nuances aan te brengen, maar in de orkestrale uitvoering ontbrak het toch nog wat aan detaillering, lyriek en raffinement. In het Sanctus klonk een opgewekt gevoel door uitmondend in een spectaculair slot in pure opera-stijl.

In de veel persoonlijker delen die worden gedragen door de solisten was de individuele expressie bij de meeste solisten echter onvoldoende. De tenor Vincenzo la Scola had alleen maar problemen met zijn stem: geen dolce, geen stralende hoogte, ook geen volume. De bas Michele Pertusi, met een ook al weinig important geluid, ontkende eigenlijk elke emotie - het Mors stupebit was zelfs onaangedaan en uitdrukkingsloos.

De mezzo-sopraan Gloria Scalchi heeft wel een opmerkelijke en indringend lage stem, maar ook met een nogal harde en onbuigzame uitstraling die de duetten met sopraan Alessandra Marc vaak deden verstijven, ook door een te weinig op elkaar afgestemde frasering. Marc was ondanks een niet altijd even geperfectioneerde technische beheersing in dit gezelschap superieur en souverein: ze liet, zoals in het Lacrymosa en het Offertorio, telkens opnieuw prachtige en mooie dingen horen, soms zelfs wonderbaarlijk.