Bijverzekeren lang niet voor iedereen nuttig

Bijverzekeren tegen arbeidsongeschiktheid is lang niet voor alle werknemers zo verstandig.

Dat stelt C. Groenewegen van het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting (Nibud). Neem de werknemer van 55 jaar met een inkomen van anderhalf maal modaal, 4500 gulden bruto per maand. Die heeft, wanneer hij arbeidsongeschikt wordt, te maken met een extra inkomensderving van ongeveer 150 gulden per maand. (Dus boven de 30 procent bruto die hij ook volgens het huidige WAO-regime kwijt zou zijn). Stel dat zijn premie voor de aanvullende verzekering 75 gulden per maand bedraagt. Is bijverzekeren dan zinvol? Moet deze 55-jarige tien jaar lang 75 gulden per maand gaan betalen voor een inkomensverlies van 150 gulden waarvan lang niet zeker is dat het hem zal treffen?

Het antwoord op die vraag kan alleen de persoon-in-kwestie zelf geven. Het probleem is echter, vindt Groenewegen, dat het individu bij CAO-akkoorden of collectieve verzekeringen die via de werkgever worden afgesloten, niet of nauwelijks om een oordeel wordt gevraagd. Sterker nog, denkt zij: werknemers beseffen niet hoe klein hun 'WAO-gat' soms is en dat de kosten van een aanvullende verzekering lang niet altijd in verhouding staan tot de baten van een eventuele, aangevulde WAO-uitkering. “Maar de meeste werknemers hebben niet in de gaten dat ze soms 50 gulden betalen om een gat van 40 gulden te dekken.”

In het algemeen komt het erop neer dat werknemers van middelbare leeftijd met een behoorlijk inkomen het meest gebaat zijn bij een aanvullende verzekering. Voor jonge werknemers met een laag inkomen alsmede ouderen die al een hoge wettelijke uitkering hebben opgebouwd, is het nut van een aanvullende verzekering twijfelachtig. Zinloos is zij in elk geval voor alle werknemers van 59 jaar en ouder die bruto niet meer dan 74.865 gulden verdienen. Zij krijgen bij arbeidsongeschiktheid tot hun pensioen al een wettelijk gegarandeerde uitkering van 70 procent.

Verzekeraars die collectieve verzekeringen aanbieden, zonder de werknemers eerst te keuren, eisen dat al het personeel, of bij grote bedrijven een ruime meerderheid, daaraan meedoen. Hoe meer werknemers afvallen, hoe hoger de premie voor degenen die zich wel willen bijverzekeren en hoe groter de neiging bij verzekeraars om toch medische controles te eisen. In het laatste geval neemt het risico toe dat degenen die de grootste kans op arbeidsongeschiktheid hebben, niet door de keuring heenkomen. Dat is het dilemma voor vakbonden.

Groenewegen signaleert de curieuze situatie dat de particuliere verzekeringen een soort omgekeerde solidariteit vergen. Bij collectieve regelingen betalen ouderen meer ten behoeve van jongeren dan voor zichzelf en de lager-betaalden betalen mee aan een regeling waarvan hoger-betaalden meer profijt trekken.

De Nibud-woordvoerster noemt een ander voorbeeld. Schoonmaakster X, 40 jaar oud, verdient 30.000 gulden per jaar en ontvangt bij arbeidsongeschiktheid straks 687 gulden per jaar minder dan zij nu zou krijgen. Stel dat de aanvullende verzekeringspremie 2 procent van haar salaris bedraagt. Dan is X per jaar 600 gulden kwijt om er bij arbeidsongeschiktheid niet 687 gulden op achteruit te gaan. Bedraagt de premie 2,5 procent of meer, dan overtreffen de kosten al de eventuele baten.