Wethouden in Nederland (2)

België is een geval apart. De politieke crisis in Frankrijk is beter te vergelijken met die in Almere. Politieke systemen met een kiesstelsel dat voor grote meerderheden zorgt hebben volgens het boekje het voordeel dat zij voor stabiel bestuur zorgen. In de praktijk valt dat nogal tegen.

De regel zou in Frankrijk en Almere moeten gelden, maar de president is na de eerste ronde van de Kamerverkiezingen van zijn politieke fundament beroofd. Niemand weet vanaf volgende zondag wie Frankrijk regeert. En Almere zit na een wethouderscoup zonder burgemeester en met een bungelende wethouder.

Nederlandse gemeenten hebben geen districtenstelsel maar wel een traditie van breed samengestelde colleges van burgemeester en wethouders. In de praktijk werkt dat enigszins zoals in landen als Frankrijk en Engeland: wie aan de macht is, heeft weinig te vrezen van de volksvertegenwoordiging "want dat zijn we zelf'. Controle gebeurt in eigen kring, of door politici in een betrekkelijk hopeloze oppositierol.

Frankrijk en Engeland bewijzen dat hun stelsels met verankerde meerderheden heel daadkrachtig kunnen zijn, maar niet per definitie effectiever dan vormen van evenredige vertegenwoordiging zijn. Dat blijkt ook in de gemeenten in dit land. Alleen waar burgemeesters en wethouders opereren die een sterke raad open tegemoet treden, hebben burgers het gevoel goed bestuurd te worden.

In Almere en veel grotere steden is de praktijk anders. De kwaliteit van het bestuur is sterk afhankelijk van toevallige humeuren en talenten. De zaak in de poldergemeente lijkt meer te gaan over een burgemeester die zijn wethouders een gevoel van nietigheid gaf, dan om zijn al of niet scheutig gebruik van het declaratieformulier.

Op het eerste gezicht een personen-kwestie die in ieder stelsel kan voorkomen. Maar daaronder wordt weer zichtbaar wat in de meeste Nederlandse gemeenten geldt: het echte spel wordt tussen hogere ambtenaren en college gespeeld, de raad is overbelast en onderbemand.

PvdA-voorzitter Felix Rottenberg heeft die koe vorige week stevig bij de horens gevat op een congres van het Nederlands Studie Centrum. Hij beschreef de ongelijkheid die overal in het land in raadszalen te zien is: raadsleden die bezwijken onder ambtelijke nota's en vergeefs opboksen tegen goed betaalde wethouders die kunnen leunen op een batterij ambtenaren. De raad, waar de wethouders formeel zelf ook in zitten, is alleen in theorie de baas in de gemeente.

Rottenberg pleitte niet voor herstel van de officieel bestaande verhoudingen: het monisme - raadsmeerderheid en wethouders als één gelijkwaardige twee-eenheid - is achterhaald. Pogingen van actieve raadsleden om het technocratisch uitgegroeide stadhuis tegenspel te bieden hebben er volgens de PvdA-voorzitter toe geleid dat raadsleden surrogaat-ambtenaren zijn geworden.

Hij zei: “Politieke en maatschappelijke vraagstukken worden vaak in en vanuit een ambtelijk perspectief en in bureaucratisch jargon gedefinieerd. Om invloed uit te oefenen op het beleidsproces, nemen raadsleden dit kader, deze termen over. Door de interne oriëntatie van lokale politici is voor veel burgers het onderscheid tussen politici en bureaucraten verdwenen”.

Raadsleden kunnen zich volgens Rottenberg beter toeleggen op hun rol als ombudsman en controleur namens de bevolking. Een dualistische rolverdeling zou raadsleden bevrijden van de verplichting thuis te zijn in ieder beleidsdetail. In grote fracties zouden een paar leden daar oog op kunnen houden, terwijl de collega's meer dan nu tijd krijgen om open te staan voor de burger en de wijk.

Wethouders zouden in Rottenbergs idee sterke, ervaren bestuurders van buiten het plaatselijke politieke circuit mogen zijn. Daartoe moet de Gemeentewet worden veranderd, en omdat de ervaring leert dat zoiets jaren duurt suggereert hij dat partijen vast beginnen de beoogde taakopvatting in de praktijk te brengen.

“De politieke leiding van een partij neemt dus geen plaats in het college maar is gewoon raadslid.” In die gedachte is de lijsttrekker van een waarschijnlijke college-partij dan niet meer één van de kandidaat-wethouders, maar de beoogd fractievoorzitter, iemand waar de burgers straks op kunnen rekenen.

De recrutering van wethouders verandert dan compleet. Nu moeten degenen die daar belangstelling voor hebben zich jarenlang via de fractie, eventueel een fractievoorzitterschap omhoog werken. Dat is riskant en lastig, want het vergt werk dat een halve dagtaak ruim te boven gaat tegen een honorering waar geschikte kandidaten buiten de stadhuismuren misschien in één, hooguit twee dagen aan toekomen. Zij moeten wel erg graag willen om die jarenlange gok te wagen. Het is niet zeker of dat altijd de besten oplevert.

De benadering van Rottenberg is zoals van hem te verwachten: recht op de problemen af, niet bang een paar gevestigde reputaties ter discussie te stellen en praktisch, met een zeker ongeduld voor de wettelijke afwerking. Maar hij snijdt reële zaken aan. Vooral in de grote en middelgrote steden bestaat een flink onbehagen bij burgers over de wanverhouding tussen parmantigheid en prestaties van colleges en fractietoppen.

Toen de Haagse raad wethouder Van den Berg twee weken geleden dramatisch liet vertrekken naar aanleiding van de affaire-Fuchs zat daar een dosis gêne bij: het tekort van paar miljoen bij het Gemeentemuseum viel in het niet bij het kwart miljard dat het brede college eerder had zoekgemaakt, en waar de raad geen enkele politieke verantwoordelijkheid voor had afgedwongen, in haar monistische medeplichtigheid.

De grootgroeiwaan, de IJ-oeverdromen, de wereldstadhuizen, de gemeente-vliegvelden, de city-marketing, van Rotterdam tot Amersfoort, van Amsterdam tot Groningen, het is door de kiezers naar vermogen afgestraft. Maar het is de vraag of de heersende gemeentelijke politieke elites zich voldoende realiseren dat hun eigen gedrag en mentaliteit in veel gevallen nog steeds niet fundamenteel is veranderd.

Wat dat betreft heeft Rottenberg gelijk: in plaats van wachten op het volgende management-advies over veranderingsprocessen, en discussiëren over zulke wettelijke reconstructies als "de wethouder van buiten', of "de gekozen burgemeester', is het zaak de rollen op een nieuwe leest te schoeien. Raadsleden als herkenbare vertegenwoordigers van het volk, die bureaucraten en technocraten dwingen zich begrijpelijk uit te drukken. Met wethouders als bestuurders, politiek verantwoordelijk, maar niet in een partij-achtige dubbelrol. Het heeft wel wat, ook landelijk.