"We moeten ophouden ons rijk te rekenen'; CDA'er oud-premier Zijlstra wil een einde maken aan het eindeloos bezuinigen

DEN HAAG, 24 MAART. De toon voor het verkiezingsprogram van het CDA is gezet. De afgelopen maanden heeft een CDA-commissie onder leiding van dr. Jelle Zijlstra gestoeid met de overheidsuitgaven in de laatste jaren van dit millennium. Het politieke debat moet worden ontlast van de hypotheek van telkens terugkerende, verlammende bezuinigingen, zo luidde de opdracht. De politiek moet zich - eindelijk weer - richten op de echte grote uitdagingen van de komende jaren.

De politiek kàn uit het financiële lijden worden verlost, zo moet blijken uit het rapport "De komende kabinetsperiode' dat vandaag is gepubliceerd. “We moeten er een einde aan maken ons rijk te rekenen bij de kabinetsformatie”, zegt Zijlstra in zijn appartement in Wassenaar.

“Bij een economische groei van 2,5 procent en een inflatie van 2,5 procent hebben overheid en sociale verzekeringen in 1998 ongeveer vijftig miljard gulden extra te besteden. Maar dat staat gelijk aan politieke zelfmoord. De politiek trapt dan in dezelfde val als in 1989. De inkt van het huidige regeerakkoord was nog niet droog of de eerste bezuiningingsoperatie diende zich aan”, waarschuwt Zijlstra.

Om een einde te maken aan de eindeloze bezuinigingen èn de sanering van de overheidsfinanciën echt aan te pakken, mogen de uitgaven van de overheid alleen nog maar worden aangepast aan de inflatie. “Verder is nul voorlopig genoeg”, zegt de 74-jarige oud-premier en voormalig president van De Nederlandsche Bank resoluut.

De afgelopen jaren is geprobeerd de uitgaven van de overheid en sociale verzekeringen te beteugelen via normen voor de collectieve lasten en het financieringstekort van het rijk. “Met wisselend succes”, oordeelt Zijlstra. “De begrotingsdiscipline is onder leiding van minister Kok van financiën behoorlijk verbeterd, maar de staatsschuldquote (de staatsschuld uitgedrukt als een percentage van het nationaal inkomen, red.) hangt als een molensteen om onze nek. Toen Nederland bevrijd was, lag deze quote boven de honderd procent. Dat is geleidelijk gedaald naar ongeveer twintig procent in het begin van de jaren zeventig en sindsdien is de quote weer gestegen tot ruim zeventig procent.” Ondanks “sloten aardgasinkomsten”, haast de oud-minister van financiën eraan toe te voegen. “Het terugdringen van de schuldquote is een absolute randvoorwaarde voor al het andere overheidsbeleid.”

Wanneer het kabinet het “tafelzilver” (de uitdrukking is van CDA-fractievoorzitter Brinkman) verkoopt, moet het geld worden aangewend voor het de aflossen van de staatsschuld. “Als je de PTT verkoopt, moet je de opbrengst niet gebruiken voor de aanleg van wegen (zoals CDA-minister May-Weggen wil). Dat is fout. De opbrengst moet je gebruiken voor het verminderen van de staatsschuld. Een hoge staatsschuld gaat samen met hoge rentelasten en daardoor worden andere - meer essentiële - bestedingen verdrongen. De overheidsinvesteringen zitten daardoor op een absoluut dieptepunt”, analyseert Zijlstra.

Het nieuwe kabinet moet beginnen met het bevriezen van de uitgaven van het rijk. Als blijkt dat in de loop van de kabinetsperiode de groei meevalt - wat bijvoorbeeld tot gevolg heeft dat er meer belastinginkomsten in de schatkist komen - dan komt er geld binnen voor nieuw beleid. “Je oogst pas wanneer de vruchten van de boom zijn gevallen.” Zijlstra vindt dat dit geld eerst moet worden besteed aan een verdere reductie van het financieringstekort. Daarnaast zou het kunnen worden besteed aan een lastenverlichting en tenslotte zouden bepaalde rijksuitgaven kunnen toenemen.

Het advies heeft alleen betrekking op de rijksuitgaven. “Voor de rest van de collectieve sector hebben we maar één boodschap: de sociale premiedruk is te hoog en moet via een verhoging van de arbeidsparticipatie omlaag. Het verschil tussen bruto loonkosten en netto loon, de zogenoemde wig, moet worden verkleind.”

Het constant houden van de rijksuitgaven heeft belangrijke consequenties voor de zogenoemde meerjarenramingen. Die zijn ontstaan als een hulpmiddel voor de departmenten zodat ze ongeveer wisten waar ze in de toekomst mee te maken zouden krijgen. “Die meerjarenbegrotingen zijn ontaard in het op tafel leggen van wensprogramma's, waarbij soms over de kabinetsperiode heen wordt geregeerd. Ze worden tot voldongen feiten en als de wal het schip keert dan noemt men dat bezuinigen terwijl er nog niets is uitgegeven.”

Toen begin deze maand de essentie van uw advies uitlekte, zei premier Lubbers in een reactie dat bij de vaststelling van de hoogte van de overheidsuitgaven ook rekening moet worden gehouden met de groei van de bevolking.

“Ik moet daar een interpretatieve correctie op aanbrengen. De premier volgt volledig onze redenering. Maar bij een extra groei, wanneer de vruchten worden verdeeld, wil hij de volgorde wijzigen. Wij zeggen reductie financieringstekort, lastenverlichting, extra uitgaven. De premier wil de prioriteiten twee en drie omdraaien en bij de uitgaven rekening houden met de groei van de bevolking. Hij maximeert ze ook, immers de uitgaven stijgen niet per hoofd van de bevolking. Het gaat hierbij om een jaarlijkse stijging van ongeveer 1,5 miljard gulden.”

Moeten de uitgaven van het rijk niet het resultaat zijn van politieke besluitvorming in plaats van dat de uitgaven in een keurslijf worden geperst?

“De politiek hanteert altijd een norm; ook als bijvoorbeeld wordt uitgegaan van een gemiddelde economische groei van 2,5 procent. Maar afgezien daarvan: de politiek kan enige discipline gebruiken. Bij meer inkomsten wil de politiek ook meer uitgeven. Maar men wil ook meer uitgaven bij minder inkomsten. Dat heet dan conjunctuurbeleid, maar de politiek verzuimt om in goede tijden een appeltje voor de dorst te creëren.

“Het kabinet-Lubbers II bevond zich in een conjuncturele goede positie. Maar de meeropbrengsten voor de schatkist zijn in onvoldoende mate gebruikt voor de sanering van de overheidsfinanciën om over het creëren van een conjuncturele buffer nog maar te zwijgen. Nu de magere jaren zich aandienen, zijn de schuren leeg. Genesis 41.”

Wat vindt u van de argumentatie van minister Kok die een "tandje minder' wil bezuinigen omdat teveel bezuinigen slecht is voor de werkgelegenheid?

“We hebben ons niet bezig gehouden met de tandjes van minister Kok. De werkgelegenheidseffecten van de rijksbegroting zijn vrij gering. In onze open economie is werkgelegenheid een structurele zaak. Een begroting vermoordt de werkgelegenheid als ze de lastendruk opjaagt.”

Samen met CDA-fractieleider Brinkman vindt u dus dat het kabinet moet vasthouden aan de financiële doelstellingen van het regeerakkoord?

“Absoluut.”

En de fifty-fifty-vuistregel, waarbij de helft van de bezuinigingen structureel en de andere helft incidenteel wordt ingevuld?

“Uitstel van executie, dat is een extra last voor het nieuwe kabinet.”

Welke politieke partij is de meest geschikte coalitiepartner bij dit CDA-program?

“De Nederlandse politieke kaart is niet zo eenvoudig op dit moment. Alle partijen tenderen naar het midden. Een twee partijencombinatie zit er dus niet meer in en er komt dus een kabinet van drie partijen. Welke weet ik niet, maar de vier grote partijen kunnen allemaal wel met onze ideeën uit de voeten is mijn inschatting. Wil men een gezonde opbouw van de overheidsfinanciën dan kan men hier niet omheen.”

Vier jaar geleden adviseerde u het CDA ook om de rijksuitgaven structureel te normeren.

“Toen is het principieel verwaarloosd. De tijd is er nu rijp voor. Minister Andriessen van economische zaken heeft in december al een pleidooi gehouden om de overheidsuitgaven te bevriezen. En ook in het parlement treffen we een willig oor aan. Ik vlij me met de hoop dat de politiek heeft geleerd van de ongelukken. Iedereen is toch wel geschrokken van de repeterende dreun van de bezuinigen. Dat wil men niet meer.”