Vrolikstraat rouwt met bloemen om dood Turks meisje

AMSTERDAM, 24 MAART. Iemand heeft witte slopen over de Amsterdammertjes getrokken als teken van rouw. Een vrouw met een kind voorop haar fiets legt een bosje narcissen neer. “Dat het toch zo ver moet komen. Dat er toch eerst een kind vermoord moet worden voordat de politie iets kan doen”, zegt ze. Tranen stromen over haar wangen. Haar dochtertje kijkt met verbaasde ogen. “Het is het idee dat kinderen gevaar lopen op straat”, legt haar moeder uit.

Steeds meer buurtbewoners verzamelen zich op de plaats waar gisteren het twaalfjarige meisje Zülbiye Gündüz tegen de stoep werd geslagen in de Amsterdamse Vrolikstraat. Het meisje was op weg naar school toen haar 33-jarige onderbuurman R.R.V haar achternakwam en met een tafelpoot op het hoofd sloeg, vertellen de Turkse vrouwen die zich rond de stapel bloemen hebben verzameld. Boem, boem, gebaren de vrouwen. Vijftien minuten heeft ze daar gelegen. De vrouwen steken hun handen opnieuw in de lucht en schudden hun hoofd.

Op weg naar het ziekenhuis is het meisje overleden. De vermoedelijke dader is vannacht gearresteerd in een tehuis voor daklozen in West waar hij eenheenkomen had gezocht. Vlak voordat het meisje op straat werd gevonden had hij zich op het politiebureau gemeld met de mededeling dat hij “iemand had neergeslagen”. Daarna liep hij weg. Volgens de politie stond de man als "verward' te boek. Al eerder hadden buurtbewoners geklaagd over overlast.

Rond de bloemen ontbrandt de discussie. “Verward”, roept een oudere buurtbewoner. “Een gek! Dat wisten we allemaal. Hij liep op straat te schelden en te tieren. Zo iemand had allang in een werkkamp moeten zitten! Maar nee, dan stoppen ze hem hier in een huisje in de Vrolikstraat.” Een blonde vrouw met fel gestifte lippen komt tussenbeide. “Ik wil wel even zeggen dat dit een heel negatief beeld geeft van onze buurt. Het heeft ab-so-luut niets met racisme te maken. We wonen hier met alle bevolkingsgroepen vrolijk samen. Er zijn nooit problemen. Iedereen zorgt dat het vuil niet te vroeg buiten wordt gezet. Deze man is gewoon wat we vroeger een a-sociaal zouden noemen.”

Terwijl de politie fietsenrekken verwijderd om plaats te maken voor de bloemen komen er meer bewoners. Ze praten over de krankzinnigenwet die het onmogelijk maakt om iemand op te sluiten als hij of zij dat niet wil en niet aantoonbaar een gevaar is voor zijn omgeving of zichzelf. “Dan moet je dus wachten tot hij je kinderen vermoordt”, zegt een Surinaamse vrouw met een bosje tulpen in haar hand. Even verderop staat een jonge vrouw in een lange zwarte jurk. Ze knoopt haar hoofddoek los en weer vast. Steeds hetzelfde gebaar. Ze staart naar de bloemen op de stoep en praat zachtjes, haast in zichzelf. “Waarom ging hij een Turks meisje doodmaken”, vraagt ze. “Waarom niet iemand anders? Waarom mijn zus?”

Met haar ouders, haar drie broers en twee zussen woont ze sinds vijf jaar in de Vrolikstraat. Haar zusje Zülbiye was bang van de man die daar beneden zonder gas en licht woonde, vertelt ze. Iedereen in huis was bang. “Als je je fiets in het rek wilde neerzetten moest je daar van hem een gulden in doen”, vertelt de jonge vrouw. Er komen familieleden. Mannen en vrouwen met doffe blikken. Ze omarmen elkaar en lopen zwijgend de houten trap op naar het huis van Zülbiye. “Elke keer als we op de trap liepen kwam hij boos doen”, vertelt haar zus. Zachtjes loopt ze achter haar familie aan. Op één hoog staat de Marokkaanse buurvrouw. De woede straalt uit haar ogen. Vier keer had ze de politie de afgelopen maanden gewaarschuwd. Geluidsoverlast, geschreeuw, steeds opnieuw. Op een dag heeft hij haar geslagen. Maar toen ze de politie belde kwamen die niet. “Ze vroegen of er bloed was. Maar ik had geen bloed. Alleen een klap op mijn hoofd. Nu was er wel bloed. Wat heb je aan bloed als je dood bent?”