Vrees dat VS elke Japanse industrietak apart wil aanpakken; Tokio bezorgd over chipsakkoord

TOKIO, 24 MAART. Een zucht van verlichting, maar ook bezorgheid. Dat is de reactie in Japan op het verrassende nieuws afgelopen weekeinde dat het aandeel van buitenlandse chips op de Japanse markt, met twintig miljard dollar de grootste ter wereld, in het laatste kwartaal van het vorige jaar tot meer dan twintig procent is gestegen.

Opgelucht, omdat Japan bang was voor Amerikaanse sancties als het resultaat ver beneden de twintig procent was gebleven, waar het lang naar uitzag. Maar ook bezorgd, omdat men op het ministerie van internationale handel en industrie (Miti) in Tokio vreest dat Amerika, het Congres voorop, nu zal menen dat geleide handelspolitiek ("managed trade') resultaten afwerpt. In Japan echoën de almaar krachtiger stemmen uit Amerika door om afscheid te nemen van het globale handelsbeleid en voor de uitvoer naar Japan per industrietak targets te stellen. “Een slecht voorbeeld van een arrangement tussen twee vrije-makteconomieën”, zo bekritiseerde onlangs nog directeur-generaal Sozaburo Okamatsu van Miti de bilaterale afspraak over chips.

Deze week zijn beide landen bijeen, dit maal op Hawaii, om over het omstreden chip-akkoord te praten. Het tot 1996 lopende akkoord was twee jaar geleden gesloten en in feite een vernieuwing van het akkoord uit 1985, dat geen bevredigend resultaat opleverde. Volgens Washington had Japan de glasharde garantie aan de VS had gegeven dat eind 1992 het buitenlandse marktaandeel in Japan twintig procent zou bedragen. Tokio heeft deze Amerikaanse uitleg steeds weersproken. “Het is noch een verplichting noch een garantie, het is een aanbeveling.”

De besprekingen op Hawaii zullen vast soepel verlopen. Afgelopen vrijdag maakten Tokio en Washington afzonderlijk bekend dat het markaandeel in het laatste kwartaal van respectievelijk 17,7 naar 22,5 procent (Japan) en 15,9 naar 20,2 procent was gestegen. Daarbij gebruiken de twee landen verschillende berekeningsmethoden. Japan telt de chips mee die Amerikaanse dochters in Japan verkopen, Amerika houdt deze erbuiten, zodoende komt Japan hoger en Amerika lager uit.

Toch valt op beide berekeningen af te dingen. Analisten in Tokio menen dat de stijging van het buitenlandse (lees: Amerikaanse) marktaandeel in Japan niet zozeer is toe te schrijven aan meer invoer uit het buitenland, maar aan minder afzet van Japanse producenten in het binnenland. Door de recessie in de elektronica-industrie hebben Japanse fabrikanten minder chips verkocht op de markt voor consumentenelektronica, een markt waar ze al jarenlang een sterke positie hebben, maar die nu hevig te lijden heeft van de economische neergang.

De Amerikanen, die op de professionele markt, vooral op de computermarkt, sinds kort weer technologisch superieur zijn aan de Japanners, zijn minder hard door de recessie getroffen. Zodra de Japanse economie herstelt, zal het buitenlandse marktaandeel weer zakken onder de twintig procent, zeggen analisten. Maar de Amerikanen menen dat zij op hun beurt dan ook van het Japanse herstel zullen profiteren en ze zodoende het niveau van de twintig procent kunnen blijven halen.

Vorige week beschuldigden Japanse bedrijven hun Amerikaanse tegenvoeters ervan dat ze voor miljarden dollars hun leveringen niet nakwamen; zo vol hadden ze hun handen kennelijk aan de sterk herstelde vraag in Amerika zelf. De beschuldiging werd prompt tegengesproken door de Amerikanen en later ook door het Miti. Maar de even oplaaiende ruzie gaf de nervositeit onder de Japanse industrie goed weer, bang als ze was voor Amerikaanse handelssancties, waarbij vooral de mogelijke reactivering van "Super 301', de vergeldingswet uit 1988, de Japanners hoofdpijn bezorgt.

Intussen doet het Miti er van alles aan om de Japanse industrie tot meer afname te bewegen van Amerikaanse chips. Een ad hoc-raad van Japanse importeurs heeft in Californië een liason-bureau opgericht om kleine en middelgrote Amerikaanse fabrikanten te helpen bij hun export naar Japan. En steeds meer Japanse bedrijven werken tegenwoordig samen met Amerikaanse bedrijven op het gebied van geheugenchips. Op deze markt zijn de Japanners weliswaar wereldleider, nadat de Amerikanen zich hadden teruggetrokken, maar de Amerikanen hebben hun rentree gemaakt en werken nu samen met de Japanners, omdat de buitensporig hoge ontwikkelingskosten voor deze chips door de Japanners alleen niet meer zijn op te brengen.

Sommige waarnemers menen dat Amerika niet door het bilaterale handelsakkoord met Japan zijn chips nu makkelijker dan ooit kan slijten in Japan, maar dat dat komt dank zij het hernieuwde technologische overwicht van Amerika op de computermarkt. Bijna alle Japanse personal computers hebben tegenwoordig processoren (Intel) en besturingssoftware (Microsoft) van Amerikanse makelij. En de nieuwste software-technologie, Windows (ook van het Amerikaanse Microsoft), maakt dat het voor de Japanse consument geen verschil meer maakt of hij nu een Amerikaanse of Japanse computer koopt. De Japanse markt ligt geheel open en bloot en onafgeschermd voor Amerika. Met sterk verlaagde prijzen hebben de Amerikanse computerfabrikanten vorig jaar herfst de oorlog verklaard aan hun Japanse concurrenten. Zelfs een tot nu toe oppermachtig concern als NEC, met een binnenlands marktaandeel van 53,1 procent, maakt zich nerveus, en geen wonder, want NEC zit voor het eerst in twintig jaar in de rode cijfers.